KOLONIALE WANDELING GOUDA

Van De Houtman tot Vroman

Deze wandeling omspant bijna de hele koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië. Die geschiedenis begint met de ‘ontdekkers’ van de weg naar Oost-Indië, de gebroeders De Houtman. De herinnering aan deze twee Gouwenaren wordt op verschillende plaatsen in de stad levend gehouden. Dat geldt ook voor de beroemde dichter en ereburger van Gouda, Leo Vroman. Hij staat symbool voor het einde van Nederlands-Indië. Hij maakte de ondergang van de kolonie in 1942 tijdens de Tweede Wereldoorlog in Azië aan den lijve mee. Tussen dit begin en eind liggen zulke uiteenlopende objecten als een standbeeld van Erasmus en gevelversieringen van Afrikaner leiders uit de Boerenoorlog. Ook die vormen een onderdeel van Nederlands koloniaal erfgoed. Na de verkenning van de stad maken we een prachtige wandeling door de Reeuwijkse plassen.

Lengte wandeling:
17 km (in te korten tot 6 of 10 km)
Startpunt:
Station Gouda
Eindpunt:
Station Gouda Goverwelle
Parkeerplaats:
Station Gouda Goverwelle (trein naar Gouda)

Horeca:
Gouda
aan de plas: ’t Vaantje
Museum:
Museum Gouda

Ook geschikt voor andere GPX apparaten

De route

  1. Neem op Station Gouda de uitgang centrumzijde. Sla, met je rug naar de uitgang van het station, de straat rechts voor je in, Van Bergen Ijzendoornpark. Loop rechtdoor door het park en dan langs het speelweitje. Je komt uit bij de oude burgemeesterswoning Villa Honk (Van Beverninghlaan 38-39). De voormalige Indische ambtenaar Ingebregt Abraham Rijn van Alkemade liet dit huis in 1910 bouwen. Burgemeester E.G. Gaarlandt nam het pand eind jaren 1920 in gebruik als burgemeesterswoning.
  1. Loop rechtdoor langs de heg van Villa Honk en aan het eind linksaf en vervolgens nogmaals linksaf. Dan de eerste straat rechtsaf, Van Swietenstraat en op de (Katten)singel (langs het water) linksaf. Je komt uit op een groot kruispunt met rechts een brug. Blijf rechtdoor de singel vervolgen (hier Blekerssingel). Het water houd je aan je rechterhand. We lopen naar de huizen Blekerssingel 57, 56, 55.
  1. Loop verder langs de Blekerssingel, rechtdoor over de brug en de voetgangerslichten. Sla 10 meter na de volgende voetgangersoversteek linksaf, een voetpad naar een klein stadspark, sinds 2015 het Leo Vromanpark geheten. In het parkje ligt de Oude Chocoladefabriek waarin het streekarchief Holland-Midden en de stadsbibliotheek zijn gevestigd. Bovenop de bibliotheek is het beeld te zien van de dichter Leo Vroman, die in 1940 naar Nederlands-Indië vluchtte en daar de ondergang van de kolonie meemaakte.
  1. Loop terug het parkje uit, steek bij de voetgangerslichten de singel over en daarna rechtdoor over de brug. Vervolgens linksaf, het pad langs het water door het Houtmanplantsoen. Dit pad blijven volgen tot je uitkomt bij het monument voor de gebroeders De Houtman.
  1. Loop het pad verder rechtdoor de dijk op. Sla hier rechtsaf. Bij het kruispunt met de stoplichten rechtsaf naar een gracht: Oosthaven. Loop de Oosthaven op naar het grachtenpand Oosthaven 68, genaamd De Sterke Samson. Dit was de woning van de Goudse regent met koloniale trekken, François de Mey.
  1. Neem de eerste brug linksaf naar de overkant van het water: Westhaven. Links op Westhaven 62 woonde Jacob Blauw, die carrière maakte bij de VOC in Batavia. Loop de Westhaven naar rechts verder af. Op Westhaven 29 vinden we de voormalige winkel in koloniale waren De Moriaan. Op nr. 20 is huis De Zeepzieder te vinden, dat zijn naam dankt aan Steven Doensen van Groenendijk. Nr. 12 was het stadspaleis van Marcellus Bisdom van Vliet, lid van een familie die fortuin maakte in de koloniën. Op Westhaven nr. 2 was na 1902 de winkel in sigaren en tabak van J.C. Dorlas te vinden, die doorliep tot de Peperstraat (zie hierna).
  1. Loop de Westhaven helemaal af. Aan het eind rechtsaf en na 25 meter weer schuin rechts, de Torenstraat die je naar de Sint-Janskerk brengt. Hier rechtsaf, Achter de kerk. Na 75 meter vind je rechts de ingang van Museum Gouda. In dit mooie museum herinneren ook enkele objecten aan Nederlands koloniale verleden.
  1. Na een eventueel bezoek aan Museum Gouda rechtsaf, Achter de kerk verder aflopen (houd de kerk aan je linkerhand). Je komt uit bij een klein parkje, de Willem Vroesentuin. Sla linksaf de tuin in waar het standbeeld van Erasmus te vinden is,  een beeld met een onverwachte koloniale achtergrond. Loop het pad door de Willem Vroesentuin verder af met een bocht naar links. Je komt uit op Achter de Kerk en deze straat loop je verder af. Je komt langs de betaalde entree van de Sint-Janskerk met zijn beroemde gebrandschilderde ramen. Loop door tot je weer bij de Torenstraat uitkomt die je rechts inslaat.
  1. Aan het eind van de Torenstraat rechtsaf, Wijdstraat. Op Wijdstraat 20 is tabakshandel Van Vreumingen gevestigd. De Wijdstraat komt uit op de Markt met het beroemde stadhuis. Je kunt hier onder meer de burgemeesterskamer bezoeken. Steek de markt rechtdoor over (houd het stadhuis aan je rechterhand). Ga aan het eind van de Markt de drukke winkelstraat in: Hoogstraat/Kleiweg. Sla de eerste straat links in: Turfmarkt. Neem de linkerkant van de gracht.
  1. Loop de Turfmarkt af tot nr 23 en 25. Deze huizen waren samen met de huizen op nummer 39 en 41 in de 18e eeuw het bezit van Herbert Vermeulen. Steek over en loop door tot Turfmarkt 116, waar Theodore Jongkint (1676-1743) woonde. Loop de Turfmarkt helemaal uit. Je komt langs het prachtige Admiraalshuis, aangekocht door vice-admiraal Jan den Haen (1630-1676) en verfraaid door een van de rijkste burgers van Gouda, Roemer Vlacq (1712-1774), admiraal van de Nederlandse marine. Hij liet onder de daklijst de symbolen van zijn vak aanbrengen: een globe, vaandels, een kanon, een helm en een kijker. Aan koloniale avonturen hebben beide zee-officieren zich nooit gewaagd.
  1. Aan het eind van de Turfmarkt zie je rechts aan de overkant van het water de Lichtfabriek Gouda. Het is een overblijfsel van de vroegere gasfabriek, opgericht in 1853, en het elektriciteitsbedrijf, gezamenlijk de Goudsche Lichtfabrieken geheten. We steken vanaf de Turfmarkt de voetgangersbrug over en aan de overkant (Hoge Gouwe) rechtsaf en dan direct tweede straat links: Nonnenwater. Neem de eerste steeg rechtsaf, Lazarussteeg. De naam steeg herinnert aan het oude Leprozenhuis dat hier ooit stond. De steeg liep na de bouw van de gasfabriek daar achterlangs. En dat is de plaats waar in 1867 Hermanus Frederik Roll jr. werd geboren. Hij was de zoon van Hermanus Frederik Roll sr., directeur van de gasfabriek. Zoon Herman Roll zou als arts naam maken bij de bevolking van Nederlands-Indië.
  1. Neem de eerste straat links en nogmaals de eerste straat links (Verloren Kost). Op de viersprong rechtdoor en op de T-splitsing linksaf, Raam. Het Raam gaat over in het Nonnenwater en brengt je terug naar de Hoge Gouwe. Sla hier rechtsaf. Vervolgens de derde straat rechtsaf: Peperstraat. Aan de Peperstraat zijn veel resten van industrieel erfgoed terug te vinden, waarvan sommige met een koloniale connectie. Zo was op Peperstraat nr 1 de tabakskerverij ‘In de drie slaven gevestigd, die behoorde bij de winkel in sigaren en tabakswaren van de firma J.C. Dorlas aan de Westhaven 2. Ook was in de Peperstraat medio 18e eeuw de suikerraffinaderij van Maes en Hartman gevestigd.
  1. Ga in de Peperstraat over de eerste brug naar links. Blijf rechtdoor lopen door de Korte Noodgodsstraat, over de Noodgodsbrug, door de Lange Noodgodsstraat en de Walestraat en de Doelenstraat. Dan steek je de singel over via de Doelenbrug.
    (Afkorting: wie terug wil naar het station slaat na de brug linksaf: Fluwelensingel. Blijf de singel volgen tot de derde brug links. Dat is bij een groot kruispunt. Hier schuin rechtsaf, de Spoorstraat in die naar het station voert.)
  1. Wie de wandeling door de Reeuwijkse plassen wil maken loopt na de Doelenbrug rechtdoor, Burgemeester Martensstraat. Blijf deze volgen tot de 6e straat rechts (je passeert de Leo Vroman Scholengemeenschap aan de linkerkant van de straat): Zoutmanstraat. Sla de Zoutmanstraat in en daarna de eerste straat rechts: Krugerlaan (Deze wijk is gebouwd rond 1900 en vernoemd naar de toenmalige Boerenhelden uit De Boerenoorlog). We lopen door tot Krugerlaan nr 87, het geboortehuis van Leo Vroman.
  1. Ga met je rug naar huis nr 87 staan en loop naar rechts, de Krugerlaan helemaal uit. Aan het einde linksaf, naar rechts de brug over, en direct weer naar rechts (Karnemelksloot). Loop deze straat uit (water rechts) en met een flauwe bocht naar rechts over het fietspad onder het spoorviaduct door. Daarna rechtdoor langs het water (Burgvlietkade) tot de blauw/groene verkeersbrug: rechtsaf de brug over en aan de overkant direct linksaf, het pad pal langs het water (Oostboezemkade). Bij het sluisje rechtdoor over het stenen trapje naar beneden en het pad blijven volgen. Verderop over een klein bruggetje en rechtdoor met een betonnen trap onder de rijweg door en via een graspad rechtdoor blijven lopen, nog steeds met links het water. Kort daarop komt het pad uit op een fietspad met naastliggend wandelpad langs de Reeuwijkse plassen (plas Elfhoeven). Blijf het pad langs de rechteroever van deze plas volgen.
  1. Aan het eind van het pad nog kort rechtdoor over de weg en vervolgens na een parkeerplaatsje rechtsaf een wandelpad op, Ree, het voetpad tussen de plas Elfhoeven en de plas ’s Gravenbroek. Direct na een bruggetje bij een Y-splitsing het pad rechts inslaan dat vlak langs de plas loopt. Aan het eind van dit pad kom je uit op een T-splitsing met een asfaltweg.
    (Afkorting: Hier kun je eventueel de wandeling met ruim 6 kilometer bekorten. Als je voor de korte variant kiest sla dan hier rechtsaf en ga rechtdoor over de ophaalbrug. Pik de wandeling hieronder op bij punt 19)
  1. Wie niet voor de ingekorte wandeling kiest, slaat hier linksaf en bij paddenstoel 22572/001 rechtsaf, het weggetje heet nog steeds Ree. Sla bij paddenstoel 22876 linksaf: Zoetendijk. Blijf rechtdoor lopen. Ga verderop, bij paddenstoel 21723/001 rechtdoor over het bruggetje een wandelpad op (nog steeds Zoetendijk). Je loopt nu met de plas Klein Vogelenzang aan je rechterhand. Bij wandelknooppunt 26 rechtsaf over een houten bruggetje, richting wandelknooppunt 67 (naambordje wat verderop: Bosmankade). Aan het einde van de Bosmankade rechtsaf (richting wandelknooppunt 16).
  1. Op de viersprong (bij een watertappunt) linksaf, de ophaalbrug over, en direct rechtsaf (richting wandelknooppunt 54). Na enige tijd draait de weg naar rechts om de plas heen. Bij de ophaalbrug rechtdoor, richting wandelknooppunt 22. Aan het einde, bij paddenstoel 22572/001 linksaf. Rechtdoor over de ophaalbrug.
  1. Bij viersprong met witte ophaalbrug en rechts restaurant ’t Vaantje: rechtdoor het fietspad op en 10 meter verder linksaf, het voetpad inslaan (rode pijl op geel vlak). Na het tweede vlonderbruggetje links aanhouden. Bij de T-splitsing (voorbij wandelknooppunt 55) linksaf: richting wandelknooppunt 25. Direct na de vlonderbrug rechtsaf. Blijf de richting van wandelknooppunt 41 volgen. Bij de kruising met een fietspad (asfalt) rechtdoor. Negeer de volgende afslag naar links en volg de rode pijl rechts over de vlonderbrug. Met de bocht mee naar links. Je komt uit op een parkeerplaats die je recht oversteekt (onder de wit/rode balk door). Na 10 meter linksaf. Met de bocht mee naar rechts. Sla het fietspad naar rechts in dat de verkeersweg kruist. Aan de overkant het fietspad naar links inslaan. Na ongeveer 200 meter sta je onder het spoorviaduct met de opgang naar station Gouda Goverwelle. Neem hier de trein terug naar station Gouda of Woerden.

Villa Honk 


Villa Honk

In 1910 liet de gepensioneerde Oost-Indisch ambtenaar Ingebregt Abraham van Rijn van Alkemade (1858-1932)  aan het chique Van Ijzendoornpark deze villa bouwen. De veranda met zuilen en de koepel op het dak in de vorm van een tropische helmhoed moesten herinneren aan Nederlands-Indië. Ingebregt Abraham van Rijn van Alkemade was vernoemd naar zijn grootvader, een Goudse fabrikant. Diens zoon Leendert Willem was koopvaardijkapitein. Samen met Tonia van Ameijden van Duijm kreeg deze zeeman zeven kinderen, van wie Ingebregt Abraham het derde kind was. Bijna al zijn broers en zusters zwierven uit over de wereld. Dat hij na zijn pensionering toch koos voor Gouda was waarschijnlijk te danken aan zijn vrouw, Alida Maria Dijxhoorn. Zij was geboren en getogen in Gouda.

Als twintigjarige begon Van Rijn van Alkemade aan een loopbaan bij het korps bestuursambtenaren in de kolonie Nederlands-Indië. Nederlandse bestuursambtenaren moesten leiding geven aan en toezicht houden op Indonesische bestuurders die het directe gezag over de bevolking uitoefenden. Van Rijn van Alkemade heeft zijn hele carrière, bijna dertig jaar, gewerkt op Sumatra. Op dat eiland breidde Nederland in de 19e eeuw met militair geweld zijn gezag geleidelijk uit. De hardste noot om te kraken was het sultanaat Atjeh op de noordpunt van Sumatra. In 1873 voerde Nederland daar een grote invasie uit, maar de Atjehers waren niet onder de indruk. De strijd ontaardde in een guerrilla. Het was generaal Jo van Heutsz, die samen met de islamoloog/antropoloog Christiaan Snouck Hurgronje, in 1898 de impasse doorbrak. Tot de staf van Van Heutsz behoorde Van Rijn van Alkemade. Hij was het die na afloop van de strijd een nieuwe overeenkomst sloot met de verslagen Atjehse leiders. Zij beloofden daarin voortaan de Nederlandse bestuurders te gehoorzamen. Na zijn Atjehse jaren (1895-1900) werd Van Rijn van Alkemade de hoogste bestuursambtenaar (resident) in Zuid-Sumatra. Daar was hij een van de aanjagers van de expeditie naar het Zuid-Sumatraanse Jambi, waar olie te vinden zou zijn. Het gerucht ging dat hij steekpenningen van de oliemaatschappijen had geaccepteerd om een expeditie naar Jambi te ‘regelen’. Volgens de minister van koloniën zat Van Rijn van Alkemade inderdaad in de olie, maar had hij zich niet laten omkopen. Hoe dan ook, Jambi werd van 1902-1906 in een moeizame campagne veroverd door de mannen van Van Heutsz. En Van Rijn van Alkemade kwam als een rijk man terug uit de Oost, gezien de villa die hij in het Goudse kon laten bouwen.

Na de dood van Van Rijn van Alkemade ging Villa Honk fungeren als burgemeesterswoning. De eerste burgemeester die de villa betrok was Egbertus Gerrit (Bert) Gaarlandt (1880-1938), die Gouda bestuurde van 1927 tot aan zijn dood. Ook hij had banden met Atjeh. Van 1904 tot 1906 had hij als jonge luitenant van het koloniale leger in de Atjehoorlog gevochten (zie wandeling Gorinchem). Hij raakte zwaar gewond en moest terug naar Nederland. Hij was burgemeester in Texel en Gorinchem voor hij in Gouda werd benoemd. Zijn kleinzoon Jan Geurt Gaarlandt schreef onder het pseudoniem Otto de Kat in De eeuw van Dudok over zijn grootvader als burgemeester in Gouda. Diens militaire leven in Atjeh inspireerde hem tot de roman Het uur van de olifant.


Blekerssingel 55-57: Boerenoorlog

Boven de ramen van deze drie woonhuizen zijn de hoofden te zien van vier belangrijke Boeren leiders uit de Boerenoorlog (1899-1902): van links naar rechts: Martinus Steyn (1857-1916) president van oranje Vrijstaat, Boeren generaal Christiaan de Wet (1854-1922), Paul Kruger (1825-1904) president van Transvaal en Petrus Joubert (1831-1900) de opperbevelhebber van het Boerenleger.  Met de ‘Boeren’ werden Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika bedoeld. Zij waren nazaten van Nederlanders die in 1651 aan Kaap de Goede Hoop, de zuidpunt van Afrika, een post hadden gesticht voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Die post groeide uit tot een florerende kolonie. Voor de Afrikaanse bevolking was de komst van de Nederlanders een ramp. Zij verloren hun land en in de kolonie was voor hen alleen een ondergeschikte plaats weggelegd. In 1795 veroverden de Britten Kaap de Goede Hoop. Een deel van de Nederlandse kolonisten wilde niets weten van het Britse regime. Zij trokken in de jaren 1830 naar het noorden. Opnieuw waren de Afrikanen het kind van de rekening. Zij verloren hun leefgebied aan de Boeren. Die riepen in hun nieuwe gebieden twee onafhankelijke ‘boerenrepublieken’ uit: Oranje Vrijstaat en Transvaal. Toen daar veertig jaar later goud en diamant werd gevonden wilden de Britten deze staten annexeren. Een eerste poging in 1881 mislukte. In 1899 trokken de Britten weer over de grenzen en was de Boerenoorlog (1899-1902) een feit. Nederland stond massaal achter de Boeren in deze oorlog. Dat paste in het felle nationalisme dat toen in Nederland bloeide. Ideeën over een Nederlandse stam met vertakkingen tot in Zuid-Afrika bloeiden op. Ook Gouda was in de ban van de Boerenoorlog. Dat blijkt wel uit deze gevelversiering. Opdrachtgever was de directeur van de Goudse kledingblekerij en wasserij Het Wapen van Amsterdam. Hij liet hier rond 1900 een nieuwe blekerij met deze drie woonhuizen bouwen. De gevelstenen zijn ontworpen door de Goudse modelleur C.P. Clemens.

Jeroen Henneman maakte dit portret in staaldraad van Leo Vroman 


Leo Vroman (1915-2014)

Leo Vroman is geboren en getogen in Gouda, studeerde biologie in Utrecht totdat in mei 1940 Nazi-Duitsland Nederland binnenviel. Vroman, van joodse komaf, vluchtte op 14 mei met een zeilboot naar Engeland. Via Kaapstad bereikte hij in augustus 1940 Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Vromans verloofde, Tineke Sanders, was in deze Nederlandse kolonie geboren. Haar vader, die inspecteur van het ‘inlands onderwijs’  was geweest, ving hem op in de hoofdstad Batavia (tegenwoordig Jakarta). Vroman had net zijn studie afgerond toen Japan in december 1941 de aanval op Nederlands-Indië inzette. Hij werd gemobiliseerd en gelegerd aan de kust bij Batavia.  Zonder dat hij een schot had gelost capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger al een week na de Japanse invasie op Java.  Vroman werd als krijgsgevangene geïnterneerd in verschillende kampen op Java. Eind 1943 werd hij verscheept naar Japan. Daar werkte hij als dwangarbeider onder zeer slechte omstandigheden. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Direct werd Vroman opgeroepen om weer in Nederlands-Indië te vechten. Ditmaal tegen de Indonesische nationalisten, die op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië hadden uitgeroepen. Vroman voelde hier niets voor. Hij wist zich te laten afkeuren en vertrok via Amerika naar Nederland. Eenmaal in Amerika besloot hij daar te blijven. Zijn geliefde Tineke, die de oorlog in Nederland had doorstaan, kwam naar hem toe. Het echtpaar werd in 1952 Amerikaans staatsburger. Leo Vroman maakte carrière als wetenschapper, maar bovenal was hij dichter. Al in 1964 kreeg hij Nederlands hoogste literaire onderscheiding, de P.C. Hooft-prijs, voor zijn gedichten. Ook zijn ervaringen in de kolonie verwerkte hij in poëzie. Maar het bekendst is hij door de wijze waarop hij zijn oorlogservaringen verwoordde: ‘Kom vanavond met verhalen/hoe de oorlog is verdwenen/en herhaal ze honderd malen/alle malen zal ik wenen’.

Frederick de Houtman

Frederick de Houtman (anoniem schilderij ca. 1610-1620, Rijksmuseum)


Monument gebroeders De Houtman

De broers Cornelis (ca. 1565-1599) en Frederick (1571-1627) de Houtman werden geboren in Gouda. Hun moeder was Agniesje Frederiksdr. en hun vader Pieter Cornelis de Houtman, bierbrouwer, lid van het Goudse stadsbestuur en kapitein van de plaatselijke schutterij. De toekomst van de broers lag echter niet in Gouda. Hun oom, de ook in Gouda geboren Reinier Pauw, was in 1594 een van de oprichters van de Compagnie van Verre. Dat was een groep Amsterdamse ondernemers die gezamenlijk een vloot naar Oost-Indië wilde sturen om daar specerijen op te kopen. Tot dan toe monopoliseerden Spanje en Portugal de lucratieve specerijenhandel en hielden de route naar Azië geheim. In april 1595 vertrokken vier flink bewapende schepen naar Oost-Indië, met aan boord Cornelis de Houtman als expeditieleider en zijn broer Frederick als ‘volontair’ (stagiair). Op haar reis nam de expeditie op Madagaskar twee jongens gevangen, mogelijk de eerste Afrikanen die door Nederlanders in slavernij werden gevoerd. Eind juni 1596 arriveerden de Nederlanders in de havenstad Bantam, hoofdstad van het sultanaat Bantam in West-Java. De onderhandelingen tussen de onbehouwen Cornelis de Houtman en de sultan over peperleveranties mislukten. De sultan liet De Houtman gevangen zetten en liet hem pas vrij na betaling van een losgeld. Ook de verdere reis leverde de ontactische De Houtman geen specerijen maar louter conflicten op met lokale heersers. Drie schepen keerden in 1897 in Amsterdam terug; twee-derde van de bemanning was inmiddels gestorven, vooral door scheurbuik. Cornelis de Houtman sneuvelde op zijn tweede reis in 1599 toen de sultan van Atjeh, Noord-Sumatra, zijn schepen aanviel. Zijn broer zat twee jaar krijgsgevangen in Atjeh, schreef hierover een boek en vervaardigde het eerste woordenboek Maleis-Nederlands (1603). Na terugkeer trad Frederick de Houtman in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC. Hij werd de eerste VOC-gouverneur van Ambon (1605-1611), het centrum van de kruidnagelhandel. De VOC was in 1602 opgericht op initiatief van de politieke leiding van de Nederlandse republiek. Doel was dat de ondernemingen die op Azië wilden handelen in deze organisatie gingen samenwerken. Bijzonder was dat de VOC ter wille van de handel namens Nederland oorlog mocht voeren. En dat zou zij ook doen.

In 1876 nam de Goudse dominee J.N. Scheltema, die zich in de geschiedenis van de gebroeders De Houtman had verdiept, het initiatief om een monument voor hen op te richten. De Goudse notabelen steunden dit plan van harte. Trots op het koloniale verleden paste naadloos bij het na 1870 groeiende nationalisme. Toch was er direct vanaf het begin kritiek op het initiatief. Dat kwam uit de hoek van de zogeheten ‘Multatulianen’, vroege critici van het Nederlandse kolonialisme, onder wie de beroemde schrijver Multatuli. Maar ook een gerenommeerd historicus als Robert Fruin bekritiseerde het initiatief. Cornelis de Houtman was nou niet bepaald een toonbeeld van Nederlandse diplomatie vond hij. Maar de voorstanders wonnen het pleit. Op 1 juli 1880 werd, in het bijzijn van de minister van Koloniën, dit monument onthuld.

Stadspaleis De Sterke Samson  


François de Mey (1726-1797)

François de Mey (1726-1797) liet in 1751 twee 17e-eeuwse panden samenvoegen tot het prachtige stadspaleis de Sterke Samson. François de Mey stamde van vaderskant uit een rijke Rotterdamse familie van suikerraffinadeurs en van moederskant uit een zeer gefortuneerde Amsterdamse familie van scheepsbouwers.

De ruwe suiker waarmee de familie De Mey haar geld verdiende, kwam aanvankelijk uit Nederlands-Brazilië (1630-1654). De West-Indische Compagnie (WIC), net als de VOC een oorlogvoerende handelsonderneming, was opgericht in 1621. Zij had in 1630 het gebied rond Recife in Noord-Brazilië veroverd op de Portugezen. Die hadden in de loop van de 16e eeuw Brazilië bezet. Alles draaide in Portugees en Nederlands Brazilië om de suikerrietplantages waarop suiker, ‘het witte goud’, werd geproduceerd. Voor die suikerproductie voerden de Portugezen op grote schaal Afrikanen aan die zij als slaven op de plantages inzetten. De WIC volgde het Portugese voorbeeld. Zij veroverde daarvoor speciale handelsstations in West-Afrika. Zo raakte de WIC op grote schaal betrokken bij de trans-Atlantische slavenhandel.

Nederlands-Brazilië heeft maar kort bestaan. In 1654 heroverden de Portugezen het Nederlandse gebied. Na het mislukte Braziliaanse avontuur legde de WIC zich vooral toe op de driehoekshandel tussen Nederland, Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. Zij voerde slaafgemaakte Afrikanen aan naar de Europese koloniën en bracht vandaar tropische producten als suiker, koffie en cacao terug naar Nederland. De WIC bestuurde bovendien enkele kolonies: de handelskolonie Elmina in West-Afrika, de Antillen in het Caribisch gebied en de plantagekolonies Suriname en Guyana. Al deze kolonies dreven op slavenhandel en slavenarbeid. Juist vanwege het aandeel van de WIC in de Nederlandse slavernijgeschiedenis is zij tegenwoordig berucht. Toentertijd was de WIC in Nederland een gerespecteerde handelsonderneming en een functie bij de WIC was populair bij de elite.

François de Mey maakte van 1784 tot 1792 namens Gouda deel uit van het bestuur van de West-Indische Compagnie (WIC). Toen de WIC in 1792 ten onderging, werd hij in 1795 lid van de Raad van Koloniën voor West-Indië. Die belangstelling voor het reilen en zeilen van de WIC had alles te maken met zijn eerste huwelijk. In 1749 trouwde hij met de in Paramaribo geboren Charlotta Jacoba Jacoby (1728-1760). Zij was de dochter van een hoge ambtenaar en plantage-eigenaar in Suriname. Van haar vader erfde zij een aandeel in drie plantages. En na haar huwelijk bemoeide François de Mey zich intensief met dit bezit, inclusief de slaafgemaakten op de plantages. Na de vroege dood van Charlotta Jacoba in 1760, bleven haar zoon en man eigenaar van de plantage Groot Marseille, inclusief 153 slaafgemaakten. De Mey was als plantage-eigenaar ook partij in de zogeheten Boni-oorlog (1765-1778) -guerrillaverzet van marrons (gevluchte slaafgemaakten) onder leiding van de legendarische Boni. Groot Marseille was niet De Mey’s enige plantage. In 1792 werd hij eigenaar van koffieplantage Utrecht in Suriname, een plantage waarvan hij eerder mede-eigenaar was.  Tegelijkertijd was François de Meij een echte Goudse regent. Hij maakte van 1748 tot 1795 deel uit van het Goudse stadsbestuur en was namens Gouda lid van de Admiraliteit van Amsterdam, van de Raad van het Hollandse Zuiderkwartier en van de Raad van State. En hij kreeg de titel Heer van Limmen toen hij hertrouwde met Anna Maria du Peyrou (1722-1785), wier vader handelaar, reder en heer van Limmen was.

De Sterke Samson fungeerde in de 19e en 20e eeuw als burgemeesterswoning. De laatste burgemeester die er woonde was Bert Gaarlandt (in functie van 1927-1938). Die gaf echter de voorkeur aan Villa Honk zoals we al zagen.

Jacobus Blauw geschilderd door Jaques-Louis David, 1795


Jacob Blauw (1759-1829)

Als 17-jarige vertrok de net afgestuurde jurist Jacob Blauw in 1776 naar Batavia, het centrum van het VOC-imperium in Azië. Hij was advocaat in dienst van de VOC die hem inzette bij de Rechtbank van de Raad van justitie en de ‘schepenbank’ in Batavia. Jacob stamde uit en redelijk gefortuneerd gezin. Zijn vader was dominee van de Sint Janskerk in Gouda. Een keuze voor een bestaan overzee lag in die sociale kring niet echt voor de hand. Jacobs keuze voor de VOC had mogelijk te maken met zijn turbulente jeugd. Na de vroege dood van zijn moeder, Johanna Veeris, in 1769 brak zijn vader het gezin op. Waarschijnlijker is dat een gearrangeerd huwelijk met Hendrika van de Polder (1763-1847) hem naar Batavia lokte. Daar woonde deze piepjonge vrouw met haar vader Jan van de Polder, een vriend van Jacobs vader. Van de Polder was een koopman in dienst van de VOC, maar zijn grote fortuin verdiende hij als aandeelhouder van de ‘Societeyt tot den handel in amphioen’ ofwel opium. De VOC handelde al sinds de 17e eeuw in opium. Maar vanaf 1745 leverde zij alle opium uit de VOC-vestiging in Bengalen (India) aan deze Sociëteit. Deze kreeg het alleenrecht om de opium te verkopen. Alle aandeelhouders van de Sociëteit waren VOC-ambtenaren. De omzet van de Sociëteit van 1745 tot 1794 wordt geschat op € 35 miljard (huidige waarde). In 1779 trouwde Jacob inderdaad met Hendrika van de Polder. Maar al een jaar later vertrok het jonge stel samen met de (schoon)ouders uit Batavia. Misschien omdat Jacobs carrière als jurist maar niet van de grond wilde komen. Maar dringender leek dat zijn schoonvader een partij ruwe diamanten uit een erfenis naar Nederland moest smokkelen. Hiervoor had hij Jacob nodig, die niet toevallig als een soort douanier was benoemd om de bagage op het schip richting Nederland te controleren.

Na terugkeer kocht het stel het huis Westhaven 62. Blauw werd actief in de lokale politiek. Hij was een overtuigd patriot en wilde een democratischer bestuur. De patriotten omhelsden later ook de idealen van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Blauw was actief betrokken bij de grote politieke omwentelingen in Nederland van 1785 tot 1798. In dat laatste jaar viel hij in politieke ongenade. Hij scheidde van zijn vrouw, verkocht het huis aan de Westhaven en verhuisde naar Parijs. Dat zou zijn domicilie blijven tot zijn dood. Opvallend is dat Blauw, alle idealen over vrijheid, gelijkheid en broederschap ten spijt, geen tegenstander was van het kolonialisme en de slavernij, die hij beide uit eigen ervaring kende. Ook hij was slavenhouder geweest in Batavia zoals bijna al het VOC-personeel. Hij redeneerde dat Nederland economisch niet zonder de koloniën en evenmin zonder de slavernij kon. En dat Nederlandse economische belang woog bij hem het zwaarste. Vrijheid was voor hem dus alleen iets voor Ons Soort Mensen.

Boven de deur van De Moriaan hing dit uithangbord (Museum Gouda)


De Moriaan

Nieuw onderzoek leert dat winkels in koloniale waren als koffie, thee en tabak bepaald geen exoten waren in het 18e-eeuwse Gouda. Een mooi voorbeeld van de vele koloniale winkels die Gouda heeft gekend is het pand aan Westhaven 29, De Moriaan geheten. Het pand stamt uit 1513. Eind 17e eeuw verkocht de winkel ‘Tabak, Snuif, Koffie, Thee’ zoals nog op de gevel te lezen valt. In 1756 specialiseerde winkelier Quirijn Carlier zich in tabak. Hij plaatste een beeldje met een zwarte man die een goudse pijp rookt en een bijbehorende bord aan de gevel. Beide zijn sinds 2007 in het Gouds Museum te vinden. Aan de gevel hangen ook vier klossen waaraan vroeger de tabak werd gedroogd. Tabak was in de 17e en 18e eeuw een genotsmiddel dat door mannen werd gerookt in een (Goudse) pijp, of werd gesnoven of gepruimd. De tabak kwam voornamelijk van de kolonies in het Caribisch gebied zoals Suriname en Guyana. De productie op de plantages was onlosmakelijk verbonden met slavernij. In de 19e eeuw zou steeds meer tabak uit Nederlands-Indië worden aangevoerd voor een nieuw populair product: de sigaar.

Gezicht op Banda van Matthaus Merian 1623-1655 (Rijksmuseum)


Steven Doensen van Groenendijk (1574-1649)

Direct na haar oprichting in 1602 zond de VOC haar eerste vloot naar Azië met aan boord onderkoopman Steven Doensen van Groenendijk. Hij werkte van 1603 tot 1606 in de nieuw opgerichte handelspost (factorij) van de VOC in Bantam, West-Java, een belangrijke peperhaven. Daarna werd hij overgeplaatst naar Gresik, bij Surabaya, Oost-Java. Ook daar had de VOC sinds 1602 een factorij voor de handel in peper en textiel. Na een kort intermezzo in Nederland werkte Van Groenendijk van 1611 tot 1614 als commandeur voor de VOC op de Banda-eilanden. In 1609 had de VOC op een van de Banda-eilanden  fort Nassau gebouwd. Zo probeerde de VOC een monopolie te bevechten op de handel in nootmuskaat en foelie, specerijen die toen een vermogen waard waren in Europa. Maar de Bandanezen wilden zich door de VOC de wet niet laten voorschrijven. Sindsdien was het oorlog tussen hen en de VOC, ook in de jaren dat Van Groenendijk op Banda resideerde. Jan Pietersz. Coen zou uiteindelijk in 1621 op gruwelijke wijze afrekenen met de Bandanezen en op de eilanden een VOC monopolie op nootmuskaat en foelie afdwingen. Van Groenendijk was toen al vier jaar terug in Nederland. Hij ontpopte zich in Gouda als stadsbestuurder, handelaar en zeepzieder. De naam van het pand aan de Westhaven 20 herinnert daar nog aan.

Het gezin van Theodorus Bisdom van Vliet en zijn vrouw Maria van Harthals. Centraal Theodorus en zijn vrouw, linksboven zoon Cornelis (1737-1773) en rechtsonder in uniform zoon Marcellus (1729-1806) gearmd met zus Elisabeth (1727-1764). (Jan Stolker, 1757, Rijksmuseum)


Marcellus Bisdom van Vliet (1729-1806)

In 1780 kocht Marcellus Bisdom van Vliet het pand aan de Westhaven 12 en bouwde het uit tot een stadspaleis. Het kapitaal dat hij daarvoor nodig had stamde deels uit de Nederlandse koloniën. De familie Bisdom had tot de 18 eeuw bestuursfuncties vervuld in de Krimpenerwaard en het dichtbij Gouda gelegen Haastrecht. De vader van Marcellus, Theodorus Bisdom van Vliet – hij kocht de ruïne Vliet met de bijbehorende titel – en zijn oom Adriaan (1710-1771) waren de eersten die zich op het koloniale pad begaven (voor oom Adriaan zie de koloniale wandeling Oudewater). Vader Theodore Bisdom van Vliet (1698-1777)  was traditiegetrouw hoogheemraad van de Krimpenerwaard en burgemeester van Haastrecht, maar hij was tevens directeur van de handelsfirma Theodore Bisdom & Zonen. Hij investeerde geld in VOC-aandelen. Daar bleef het niet bij. In 1771 werd hij eigenaar van de koffie- en katoenplantage De Herstelling aan de rivier de Demerary (nu de Demerara in Guyana), west van Suriname. Zijn 34-jaar jonge zoon Cornelis ging ter plaatse fungeren als plantage-directeur maar stierf al in 1773.

Het gebied langs de Demerary werd al sinds de 17e eeuw geclaimd door de West-Indische Compagnie (WIC). Pas vanaf 1746 stond de WIC toe dat het gebied door particuliere ondernemers in cultuur werd gebracht. Het eigenlijke werk werd verzet door duizenden in slavernij gevoerde Afrikanen. Juist het ontginningswerk was erg zwaar en kostte veel mensenlevens. Slaafgemaakten kwamen dan ook geregeld in verzet (1773 en 1789) of zij vluchtten van de plantages (marronage) en stichtten eigen gemeenschappen diep in het oerwoud.

Demerary ontwikkelde zich razendsnel tot een zeer winstgevende kolonie. Dat was alleen mogelijk door de aanvoer van voldoende tot slaaf gemaakte Afrikanen. Een belangrijk aandeel in die aanvoer had de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC). Opgericht in 1720 legde deze handelsmaatschappij zich na 1755 helemaal toe op de slavenhandel van West-Afrika naar Suriname en Guyana. Ook in deze MCC had Theodore Bisdom aandelen. Mogelijk had Theodore’s ontwikkeling tot plantage-eigenaar en financier van de slavenhandel te maken met het huwelijk van zijn oudste zoon Marcellus. Deze trouwde in 1766 met de jonge weduwe Maria Catharina Reijnders (1737-1798). Zij was de dochter van Salomon Reijnders (1708-1770). Deze Reijnders had de Zeeuwse droom waargemaakt. Hij was opgeklommen van scheepsjongen bij de VOC tot viceadmiraal van de Zeeuwse vloot, en hij was een van de directeuren van de MCC.

Marcellus investeerde net als zijn vader en schoonvader in aandelen van de MCC. Hij erfde daarenboven samen met zijn broer de VOC-aandelen en de plantage De Herstelling na de dood van zijn vader in 1777. Zij verkochten de plantage in 1780, inclusief de 66 slaafgemaakten die op de plantage woonden en werkten: 30 mannen, 26 vrouwen en 10 kinderen. De verkoop leverde hen f 40.000,- (nu bijna € 1 miljoen) op, meer dan voldoende om het pand aan de Westhaven (koopsom f 14.000,-) te financieren. Marcellus zou geen nieuwe koloniale avonturen aangaan. Hij trad toe tot de Goudse bestuurselite. Hij was lid van het stadsbestuur en in 1790-1791 burgemeester. Hij was ook de overgrootvader van Paulina Bisdom van Vliet. Zij liet in Haastrecht een woonhuis achter, dat nu als museum te bezoeken is en waarin veel herinnert aan de koloniale trekken van haar familie (zie koloniale wandeling Oudewater).


Tabakshandel J.C. Dorlas

Aan het pand Westhaven 2 vestigde Johan Christiaan Dorlas in 1900 een winkel in tabak en sigaren: Het wapen van Gouda. Eerder was de winkel met dezelfde naam gevestigd in de Dubbele buurt (begin van de Oosthaven). De winkel in de Dubbele Buurt was al decennia het eigendom geweest van de familie Van der Zalm. In 1892 ging Johan Christiaan Dorlas, afkomstig uit Deventer, in deze winkel werken en nam daarna de zaak over. De winkel aan de Westhaven liep door tot aan de Peperstraat waar de fabriek In de drie slaven stond (zie hieronder). De firma J.C. Dorlas ontwikkelde zich tot een groothandel in thee en koffie met Amsterdam als centrum. Het filiaal op de Westhaven bleef tot 1926 bestaan.

Foedraal Koramandelkust

Ivoren foudraal voor twee Goudse pijpen, Zuidoost India, ca. 1680


Museum Gouda 

In de Schatkamer van Museum Gouda zijn wapenborden te zien van de familie Jongkint (hierover later meer) en van Bruno van der Does (1715-1791). Van der Does was een gewichtig man in Gouda en maakte namens de stad van 1759 tot 1762 en van 1775 tot 1781 deel uit van het bestuur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), een prestigieuze post. Maar het mooiste ‘koloniale’ object is het foedraal van ivoor en mica voor een aantal Goudse pijpen. Het foedraal is gemaakt in ongeveer 1680 aan de zuidoostkust van India (Koromandelkust). De VOC had aan deze kust een aantal handelsposten. Negapatnam was daarvan de belangrijkste. Welke Nederlandse VOC-koopman deze kostbare foedraal  heeft laten maken voor zijn kwetsbare Goudse kleipijpen is niet bekend.

Erasmus door Hildo Krop


Standbeeld Erasmus

De wereldberoemde humanistische geleerde en schrijver Erasmus (1469?-1536) is naar eigen zeggen geboren in Roterdam. Maar hij is ook een ‘kind’ van Gouda. Hij is namelijk de ‘onwettige’ zoon van de Goudse prietser Gerard Helye. Als priester mocht hij niet trouwen met zijn ‘huishoudster’, de moeder van Erasmus. Maar het tweetal zorgde wel voor een goede schoolopleiding voor hun zoon. Als kind kreeg Erasmus zijn eerste lessen latijn in Gouda aan de parochieschool van de Sint-Janskerk, waar zijn vader in 1476 vice-pastoor was. Na verdere scholing keerde Erasmus als 17-jarige wees weer terug naar het Goudse. Zeer tegen zijn zin kwam hij terecht in het klooster Emmaus van de minderbroeders in het Land van Stein, dichtbij Gouda. Na vijf lange kloosterjaren trok hij de wereld in.

Erasmus zelf heeft niets van doen met de Nederlandse koloniën, maar dit bronzen borstbeeld des te meer. Het beeld werd voor de Tweede Wereldoorlog gemaakt door de Nederlandse beeldhouwer Hildo Krop. In 1954 kocht de Stichting voor Culturele Samenwerking het. Zij wilde het plaatsen bij het Nederlands Cultureel Centrum te Jakarta, het latere Erasmushuis. De verhoudingen tussen Nederland en het net onafhankelijke Indonesië verslechterden in de jaren 1950 echter snel. Het beeld van Krop was niet meer welkom en belandde in het depot van het Rijksmuseum. Eind jaren 1960 werd het beeld verscheept naar Suriname, toen nog een onderdeel van het Nederlandse Koninkrijk. Daar kreeg het beeld een plaats in het Cultureel Centrum Suriname aan de Gravenstraat in Paramaribo. Na enkele jaren werd het beeld echter uit de tuin gestolen. Vervolgens prijkte het als witgekalkte vogelverschrikker in de rijstvelden bij Paramaribo. Daar ontdekte de vroegere directeur van het Gouds Museum het beeld. Hij zorgde ervoor dat het naar Gouda werd verscheept. Zo kwam Erasmus terug naar de stad uit zijn kindertijd.

Tabakshandel Van Vreumingen

Tabakshandel Van Vreumingen

In 1836 werd hier aan de Wijdstraat een tabakshandel gevestigd met boven de winkel een sigarenfabriek. Sigaren werden medio 19e eeuw een nieuwe hype. Na 1850 kwamen er daardoor ook meer sigarenfabrieken in Gouda, hoewel het nooit zo’n bloeiende bedrijfstak werd als in Kampen en Culemborg (zie de koloniale wandelingen Kampen en Culemborg). De opkomst van de sigarenfabrieken is onlosmakelijk verbonden met de kolonie Nederlands-Indië. Daar werden in de 19e eeuw steeds meer tabaksplantages aangelegd. En de beste tabak voor sigaren kwam uit Deli (Noord-Sumatra), een gebied dat na 1860 onder Nederlands gezag werd gebracht. Tienduizenden contractarbeiders uit China en Java werden hier naar toe gebracht en op de tabaksplantages ingezet onder erbarmelijke omstandigheden. Hun arbeidscontract leverde hen uit aan de grillen van de Europese bedrijfsleiders (zie koloniale wandeling Santpoort). De tabak werd onder andere verhandeld in Amsterdam en vond zo zijn weg naar de Tabak- en Sigarenfabriek De Koophandel van de familie Van Vreumingen in Gouda.


Stadhuis

Nogal wat stadsbestuurders, die in de 17e en 18e eeuw zetelden in dit stadhuis, hadden banden met de VOC en de WIC. Vanaf 1665 bekleedde steeds één Goudse stadsbestuurder een zetel in het bestuur van de VOC in Amsterdam. Vanaf 1669 gold hetzelfde voor het WIC-bestuur. Alle Goudse VOC- en WIC-bestuurders waren afkomstig uit de bekende regentenfamilies in de stad, zoals Van der Does, De Mey of Jongkint. Zo’n bestuurspost was een statussymbool voor de stad en voor de persoon en familie in kwestie. Deze kreeg bovendien toegang tot interessante handelsinformatie en -netwerken. In totaal leverde Gouda 16 bestuurders aan de VOC en 11 aan de WIC en droeg daarmee ook verantwoordelijkheid voor het doen en laten van deze handelscompagnieën.

De VOC en de WIC waren ook belangrijke werkgevers voor de ‘gewone’ Gouwenaar. In totaal hebben 3742 Goudse mannen in de 17e en 18e eeuw dienst genomen bij de VOC. De meesten tekenden als matroos of soldaat in de hoop zo te kunnen ontsnappen aan de armoede. Slechts een enkeling wist zich van de laagste rangen omhoog te werken.

In het stadhuis is in de burgemeesterskamer is een gebrandschilderd glas te zien ter nagedachtenis van Cornelis en Frederick de Houtman (glazenier H.J.M. Basart). Helaas is hier is het verkeerde familiewapen vereeuwigd. Frederick de Houtman voerde als wapen een pauw.

Plattegrond Deshima, Isaac Titsingh, 1825 (KB)


Herbert Vermeulen (?-1783) 

Herbert Vermeulen uit Moordrecht (bij Gouda) was een van de weinige lagere VOC-werknemers die erin slaagde de sprong van laag naar hoog, van arm naar rijk te maken. Hij begon in 1746 aan boord van een VOC-schip als knecht van de bottelier, de man die aan boord de voedsel en drankvoorraden controleerde en  de dagelijkse rantsoenen bepaalde. Negen jaar later had hij het al geschopt tot opperkoopman van de VOC-vestiging Deshima in Japan. Deshima was een kunstmatig eilandje in de baai van Nagasaki. Dat kreeg de VOC toegewezen als vestigingsplaats, toen de Japanse Shogun in 1639 alle andere Europese landen de deur had gewezen uit angst voor westerse invloeden. Alleen de politiek ongevaarlijke Nederlanders bleven welkom. Tot 1854 zou Deshima Japans belangrijkste venster op de buitenwereld blijven. Deshima mat maar 520 meter in omtrek. Op het eilandje stonden de VOC-magazijnen en de woningen voor maximaal 30 man VOC-personeel. Eén brug verbond het eilandje met Nagasaki, maar die brug mocht alleen met toestemming van de Japanse autoriteiten worden overgestoken. Het jaarlijkse verplichte bezoek van een VOC-delegatie aan de shogun in Edo (nu Tokio) was een welkome onderbreking in dit claustrofobische bestaan van het VOC-personeel. In 1760 vertrok Vermeulen uit Azië als een bijzonder rijk man. Hoe hij die rijkdom precies verwierf is duister. Ook zijn  huwelijk in 1759 met Antonia Dorothea Steijn van Gollonessen, dochter van een zeer welgestelde VOC-bestuurder, zal hem geen windeieren hebben gelegd. Na zijn terugkeer in Gouda waren zijn zakken diep genoeg om aan de Turfmarkt de panden nr. 23 en 25 en wat verderop nr. 39 en 41 te kunnen kopen. Bovendien kocht hij in 1763 de heerlijkheid Oijen bij Nijmegen en mocht hij zich voortaan heer Van Oijen noemen. In Oijen zou hij zich ook terugtrekken na de scheiding van zijn vrouw  en daar zou hij ook overlijden.

Turfmarkt 1166, woonhuis Theodore Jongkint

Theodore Jongkint (1676-1743) 

Het huis aan de Turfmarkt 116 was ooit het woonhuis van Theodore Jongkint en zijn vrouw Emilia van den Kerkhoven. Theodore Jongkint behoorde net als zijn vader en zoon tot de elite van Gouda. Tussen 1721 en 1743 was hij 13 jaar burgemeester èn hij was maar liefst 27 jaar namens Gouda een van de bestuurders van de West-Indische Compagnie (WIC). Zijn vader Boudewijn Jongkint (1655-1713) was niet alleen 3 jaar burgemeester maar bezette ook 18 jaar (1695-1713) de Goudse zetel in het WIC-bestuur. Theodore’s zoon Dirk Aemilius Jongkint (1715-1783) volgde hetzelfde spoor: hij was 14 jaar burgemeester en 20 jaar (1763-1783) WIC-bestuurder namens Gouda.  Dat de Jongkints zich met het bestuur van de WIC bemoeiden was geen toeval. De WIC (1621-1792) dreef handel op Afrika en Noord- en Zuid-Amerika en zij bestuurde enkele kolonies, waaronder Suriname. En de Jongkints waren textielhandelaren die onder ander handel dreven op Suriname. Daardoor en door hun bestuursactiviteiten in de WIC raakten de Jongkints betrokken bij de Nederlandse koloniale slavernij. Want Suriname was sinds de 17e eeuw een zogeheten plantagekolonie. Dat wil zeggen dat Nederlandse en andere Europese kolonisten er plantages aanlegden waar ze landbouwproducten teelden voor de Europese markt, zoals suiker, koffie en katoen. Het werk op die plantages werd uitgevoerd door duizenden Afrikanen die onder andere door de WIC als slaven naar Suriname waren verscheept. De plantagehouders en de handelaren en bestuurders van de WIC hadden er een enkel probleem mee dat Afrikanen als slaven werden verhandeld en op een ander continent onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven en werken. Uit niets blijkt dat de Jongkints een uitzondering waren. Ook voor hen stond waarschijnlijk hun eigen winstgevende onderneming voorop.

Herman Frederick Roll geeft les aan de STOVIA, 1902  (KITLV)


Hermanus Frederik Roll (1867-1935)

In 1867 werd in wat nu de Lazerussteeg is (toen nog Vest geheten) Hermanus Frederik Roll geboren, zoon van Johanna Wilhelmina Kratzenstein en ingenieur Hermanus Frederik Roll. Zijn vader was directeur van de gasfabriek die in 1853 was gebouwd op het naast gelegen terrein aan de Hoge Gouwe. Zoon Herman volgde een opleiding tot militair arts in Amsterdam. In 1893 vertrok hij als officier van gezondheid 2e klasse van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger naar Nederlands-Indië. Een jaar later al kreeg hij zijn vuurdoop. Hij was lid van het medisch team dat met zo’n 2300 militairen en 2000 dwangarbeiders op expeditie naar Lombok werd gestuurd. Het koloniale leger leed hier een van zijn  grootste nederlagen. Ruim 400 militairen werden gedood, gewond of gevangen genomen. Een meedogenloze wraakneming volgde waarbij het koloniale leger 1500 à 3600 Lombokkers doodde. Deze eerste expeditie was direct ook Rolls laatste. In 1895 werd hij benoemd tot assistent van dr. Christiaan Eijkman, de latere nobelprijs-winnaar (zie koloniale wandeling Harderwijk). Eijkman was hoofd van het pathologisch laboratorium in Weltevreden en directeur van de School ter opleiding van Inlandsche geneeskundigen, de ‘Dokter-Djawa school’.

Roll volgde Eijkman in 1896 op als directeur van de Dokter Djawa-school. De school was in 1851 begonnen als een tweejarige opleiding voor Indonesische geneeskundigen en vaccinateurs (dokter-djawa) en bleef tot de eeuwwisseling Indonesische ‘geneesheren in het klein’ opleiden. Onder Rolls leiding – hij was directeur van 1896 tot 1899 en van 1901 tot 1908 – werd de opleiding sterk verbeterd en geprofessionaliseerd. Ze kreeg in 1901 ook een nieuwe naam: de School tot Opleiding van Inlandsche Artsen (STOVIA). Roll wilde volgens zijn leerlingen dat de STOVIA hele en geen halve artsen afleverde. Door zijn toedoen gaf de opleiding vanaf 1907 ook toegang tot de universitaire artsenopleiding in Nederland.

Roll had de wind mee, want in 1900 beloofde de Nederlandse  regering een beleid waarin welzijn en welvaart van de Indonesiërs meer aandacht zou krijgen. Dat had echter wel zijn grenzen, zo bleek in 1908 toen studenten aan de STOVIA de vereniging Boedi Oetomo (Het schone streven) oprichtten. Zij wilde meer beter onderwijs voor Indonesiërs en meer invloed van Indonesiërs op het bestuur. Het docentenkorps zag niets in zulke ‘revolutionaire’ ideeën en wilde de studentenleider Soetomo van school sturen. Maar Roll steunde hem. Geen wonder dat zijn leerlingen hem op handen droegen. Hij zag hen voor vol aan en beoordeelde hen naar prestaties en gedrag en niet naar etniciteit en afkomst. Overigens wordt de oprichting van Boedi Oetomo in het huidige Indonesië gevierd als de geboorte van het Indonesisch nationalisme.

Roll ging in 1911 met pensioen maar keerde in 1927 terug naar Batavia (nu Jakarta) toen daar de Geneeskundige Hogeschool werd geopend. Hij zou bijna tot zijn dood aan deze erfopvolger van de STOVIA verbonden blijven. In het huidige Indonesië is Roll niet vergeten: zijn grafsteen in Jakarta is bewaard gebleven in Museum Taman Prasasti (vroegere kerkhof Tanah Abang) evenals een bronzen buste, betaald door zijn leerlingen.

De voormalige tabakskerverij en koffiebranderij De drie slaven


Tabakskerverij In de drie slaven

In deze fabriek was begin 20e eeuw nog de tabakskerverij In de drie slaven en de koffiebranderij van de firma J.C. Dorlas gevestigd. In een tabakskerverij werd de tabak gesneden en verwerkt tot pijp- of pruimtabak. De tabakskerverij In de drie slaven was al sinds 1822 gevestigd in Gouda, ofwel hier aan de Peperstraat dan wel in de Dubbele Buurt (het begin van de Oosthaven). Eigenaar was de familie Van der Zwalm, die ook een winkel in tabak en sigaren in de Dubbele buurt had (zie hiervoor). De tabakskerverij en de koffiebranderij sloten aan op het winkelpand van Dorlas aan de Westhaven 2.

Suikerraffinaderij in Nederland eind 18e eeuw
(J.H. Reisig, De suikerraffinadeur, 1793).


Suikerraffinaderij Maes en Hartman

Rond 1750 stond aan de Peperstraat (waar weten we niet precies) de suikerbakkerij ofwel -raffinaderij van Maes en Hartman. Suiker kon in de 18e eeuw alleen worden gewonnen uit suikerriet en nog niet uit suikerbiet zoals in de 19e eeuw. Suikerriet werd voornamelijk geteeld op plantages in het Caribisch gebied. Het werk van de slaafgemaakten op de suikerplantages was zeer berucht. Het kappen en vervoeren van het vlijmscherpe riet naar de fabriek, het persen van het sap uit het suikerriet en vervolgens het inkoken van het sap in grote ketels was moordend. De ruwe suiker werd door de WIC naar Nederland gebracht en daar verder geraffineerd. In steden als Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht stonden vele grote raffinaderijen. Maar zelfs in Gouda was dus in de 18e eeuw een suikerraffinaderij te vinden.

Geboortehuis Leo Vroman 


Krugerlaan 87

Dit is het huis waarin de dichter Leo Vroman (1915-2014) opgroeide. Zijn middelbare schoolopleiding kreeg hij in Gouda aan de Rijks-HBS. De voortzetting van deze school kreeg in 2002 zijn naam: de Goudse Scholengemeenschap. Leo Vroman. Vroman is ereburger van Gouda.

Bronnen
Nationaal Archief, 2.10.36.22 stamboeken OI-ambtenaren
Almanak van Suriname
Nederlands Patriciaat
Encyclopaedie voor Nederlandsch-Indië (Den Haag 1917).
Sabine Broekhoven e.a., Monumenten in Nederland. Zuid-Holland (2000) via www.dbnl.nl
Roxana Chandali e.a., red., Het koloniaal en slavernijverleden van Gouda. Een verkenning (Gouda 2024).
M.J. van Dam, ‘Cornelis en Frederick de Houtman van Gouda, pioniers van de vaart op Oost-Indië’, De Schatkamer, regionaal historisch tijdschrift Midden-Holland jrg 12, nr. 3 (1998), 65-102.
H. van Dolder-de Wit, ‘Historische rouwborden terug in de Sint-Janskerk’, Tidinge van die Goude, 2007-1.
H. van Dolder-de Wit, ‘Rouwborden uit de Sint-Janskerk’, Tidinge van die Goude (2014-1) 24-32.
Petra Groen e.a., Krijgsgeweld en kolonie. Opkomst en ondergang van Nederland als koloniale mogendheid 1816-2010 (Amsterdam 2021)
Mirjam van Hengel, Hoe mooi alles. Leo en Tineke Vroman. Een liefde in oorlogstijd (Amsterdam 2014).
E.Q. Hesselink, Genezers op de koloniale markt. Inheemse dokters en vroedvrouwen in Nederlandsch Oost-Indië 1850-1915 (Amsterdam 2009).
Janet Hoogendoorn, ‘De oudste tabakszaak van Nederland. De geschiedenis van de familie Van Vreumingen’, Tidinge van die Goude (2008-4) 122-134.
J.J. de Jong, Met goed fatsoen. De elite in een Hollandse stad, Gouda 1700-1780 (Amsterdam 1985).
Herman Keppy, ‘Vader Roll’, in Pendek. Korte Verhalen over Indische levens (Amsterdam 2013).
Gerrit Knaap en Henk den Heijer, Oorlogen overzee. Militair optreden door compagnie en staat buien Europa 1595-1814 (Amsterdam 2015).
G.J. de Kok, Walcherse ketens. De trans-Atlantische slavenhandel en de economie van Walcheren 1755-1780 (Leiden 2019).
Frank van de Kreeke, Essequebo en Demerary, 1741-1781: beginfase van de Britse overname. Master thesis, Leiden 2013.
Sandra Langereis, Erasmus. Dwarsdenker (Amsterdam 2021).
Lintsen, H.W., Geschiedenis van de techniek in Nederland. Dl 1 1800-1890. Landbouw en voeding (Zutphen 1992).
Elsbeth Locher-Scholten, Sumatraans sultanaat en koloniale staat (Leiden 1994).
Leendert van der Valk, ‘Onderzoek de vroegste slavernij, 2 dln’, De Groene Amsterdammer, 23 en 30 juni 2022.
Ronald van der Wal, ‘Op doorreis: Paul Kruger in Gouda’, Tidinge van die Goude (2011-1) 4-21.
Tanja Wassenberg, Jacob Blauw 1759-1829. Rebelleren voor vrijheid en vaderland (Hilversum 2022).
Wim Wennekes, Gouden handel. De eerste Nederlanders overzee en wat zij daar haalden (Amsterdam 1996).
R.P. Zwierstra, ‘Medisch onderwijs in Nederlands-Indië’, Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, 2009-2, 81-89.
www.biografischportaal.nl
www.streekarchiefeilandijsselmonde/ Het geslacht de Mey
www.OesOldeLu.nl/bisdomvanvliet
https://www.diegoude.nl/historie-gouda/tabaksindustrie-in-gouda/J.C. Dorlas
Met veel dank aan Erik Kooistra en Christiaan van der Spek Historische vereniging Die Goude.