KOLONIALE WANDELING DORDRECHT

Cultuur of aards slijk

Deze wandeling staat in het teken van enkele cultuurdragers. De belangrijkste zijn de Dordtenaren François Valentijn, de eerste Nederlandse koloniale geschiedschrijver, en Pieter Johannes Veth, de peetvader van de Nederlandse antropologie. Hun hele leven waren zij bezig met Nederlands-Indië. Dat geldt niet voor de ‘schapenschilder’ Frans Lebret. Hij maakte in 1863 een reis over Java wat resulteerde in tientallen tekeningen. Ook de Dordtenaar Otto van der Linden legde zijn Indische ervaringen vast, echter niet op papier, maar in een tuin. Het is niet alles cultuur wat de klok slaat. Ook in Dordrecht blijkt dat de handel het fundament is van Nederlands koloniale verleden. Het West-Indisch Huis, de geschiedenis van de Dordtse Trippen en een graf in de Grote Kerk maken dat duidelijk.

Koloniale wandeling Dordrecht

Lengte wandeling:
9-14 km

Start- en eindpunt:
Station Dordrecht
Parkeerplaats:
PenR Station Dordrecht
Dordrecht-Biesbosch:
Waterbus lijn 23 richting Sliedrecht
www.waterbus.nl

Horeca:
Dordse binnenstad
In de Biesbosch:
restaurant Merwedelanden
huiscafé Biestro (Biesboschcentrum)

Musea/kerk
Grote Kerk Dordrecht
Het Dordts Patriciërshuis
Dordrechts Museum

Ook geschikt voor andere GPX apparaten

De route

Frans Lebret

Frans Lebret (Jan Veth Rijksmuseum)

  1. Neem op het Centraal station Dordrecht uitgang centrum en loop rechtdoor de stationsstraat in. Blijf deze straat volgen tot de rotonde met daarachter een brug. Steek het water over en sla direct linksaf, Spuiboulevard. Je passeert de VVV Dordrecht. Blijf langs het water lopen (houd het water aan je linkerhand). Laat de Spuibrug links liggen en loop verder. Na enige tijd linksaf, Slikveld. Aan het eind linksaf, de brug over en direct rechtsaf, de weg in (Achterhakkers) langs het water (aan je rechterhand) die wat verderop naar links buigt. Steek voor de veiligheid wel over naar het trottoir aan de linkerzijde van de straat. Op Achterhakkers nr 72 is het vroegere woonhuis van de Dordtse kunstschilder Frans Lebret te vinden, nu Hotel Dordrecht. 
grafkapel Halewijn van teresteijn Grote Kerk Dordrecht

Familiegraf Teresteyn van Halewijn

  1. Loop deze weg verder uit en sla de eerste straat rechts in (Draai), rechtdoor over de draaibrug, en rechtsaf de Buiten Kalkhaven op. Blijf steeds langs de waterkant lopen, tot je niet verder kunt. Daar rechtsaf, Bomkade, die je volgt met een bocht naar links en naar rechts omhoog. Steek hierna de Leuvebrug naar links over in de richting van de Grote Kerk, die we gaan bezoeken (geopend di-zo: zie www.grotekerk-dordrecht.nl). Loop voorbij de kerktoren en sla dan rechtsaf naar de (noordelijke) ingang aan de zijkant van de kerk (grote Kerkplein). Na binnenkomst van de kerk direct rechtsaf, naar de een na laatste kapel aan de rechterzijde, de St. Barbarakapel. In deze kapel is het familiegraf te vinden van de familie Teresteyn van Halewijn. Daarin zijn de resten bijgezet van Simon van Halewijn, een oud-burgemeester van Dordrecht. Veroordeeld wegens hoogverraad vluchtte Van Halewijn eind 17e eeuw naar Suriname, waar hij een nieuw leven begon als plantage-eigenaar. 
  1. Na het bezoek verlaat je de kerk via de (noordelijke) uitgang en ga je rechtsaf, verder langs de kerk. Je komt uit op de Grotekerksbuurt. Linksaf deze straat in, tot je uitkomt bij het stadhuis, recht voor je. In dit stadhuis resideerde eind 17e eeuw Simon van Halewijn, wiens familiegraf we net bezochten, als burgemeester. Loop rechtsaf voor het stadhuis langs en als je het water over bent linksaf, de Voorstraat in. Je passeert een viersprong met links een beeld van de gebroeders De Witt. Blijf rechtdoor over de Voorstraat lopen tot je uitkomt op een plein met het standbeeld van de schilder Arij Scheffer. Aan het eind van het plein rechts ligt de Kolfstraat. Op deze kruising tussen Voorstraat en Kolfstraat stond in de 19e eeuw het geboortehuis van Pieter Veth wiens praalgraf we aan het eind van de wandeling nog gaan bezoeken. Wij gaan echter niet rechtsaf de Kolfstraat in, maar linksaf over het water, het plein oversteken en dan rechtsaf, de Wijnstraat in.
  1. Aan de Wijnstraat woonde in de 17e eeuw de ijzerhandelaar Jacob Trip sr. in het huis Seerboeyen (of ’s Heeren Boeijen). Aan het huis herinnert alleen nog de straatnaam: ’s Heer Boeijenstraat. Schuin tegenover Jacob Trip woonde zijn broer Elias Trip. De familie Trip zou steenrijk worden in de wapen- en ijzerhandel, maar Elias Trip was ook actief in de handel op West-Afrika en in de Oost- en West-Indische Compagnie. Loop de Wijnstraat verder in tot de eerste straat links, Gravenstraat en sla die in. Blijf min of meer rechtuit lopen (Aardappelmarkt), over de brug en verder rechtdoor (Vlak) tot een T-splitsing.
  1. Sla hier rechtsaf, de Wolwevershaven. Op Wolwevershaven 14 staat het vroegere woonhuis van dominee François Valentijn, een van de eerste geschiedschrijvers over de VOC.
  1. Loop verder langs de Wolwevershaven. Op nr 9 is Het Dordts Patriciërshuis/Museum aan de Maas gevestigd (geopend wo-zo zie www.dortspatriciershuis.nl). Oorspronkelijk stonden hier drie huizen. Een daarvan werd gebouwd door Jacob Trip jr. die onder meer belangen had in de West-Indische Compagnie.
  1. Sla aan het eind van de Wolwevershaven rechtsaf de brug over en weer rechtsaf, Kuipershaven. Op Kuipershaven nr 21 zijn de pakhuizen van het West-Indisch Huis te herkennen. Loop iets verder door en neem de eerste straat links, Schrijversstraat en aan het eind weer linksaf Wijnstraat. Op nr 86 is het West-Indisch Huis gevestigd (niet open voor publiek). Loop de Wijnstraat verder uit. Aan het eind van de Wijnstraat links aanhouden, onder de Groothoofdspoort door. Je kijkt hier uit op de samenvloeiing van de Noord en de Merwede. Rechts over het terras, in de hoek rechts de trap op en linksaf over de brug. Op de viersprong linksaf en daarna rechtsaf, de Merwedekade op. Aan het eind is de halte van de Waterbus te vinden, die je naar de Biesbosch brengt waar je een rondwandeling  van 3 tot 5 km (of veel langer) kunt maken. Neem daarvoor lijn 23 richting Sliedrecht (frequentie 1x per uur; vaartijd 20 minuten; voor vertrektijden zie: www.waterbus.nl). Stap drie haltes verder uit: Hollandse Biesbosch.
    (Afkorting: wie de Biesbosch niet wil bezoeken, gaat verder bij punt 9).  
  1. Loop na aankomst met de Waterbus de steiger af. Als je linksaf slaat kun je direct beginnen aan de met groen gemarkeerde Helpolderroute van 4,5 km. Je kunt ook rechtdoor lopen naar het Bezoekerscentrum ’Biesboschcentrum Dordrecht’. Vanaf het bezoekerscentrum zijn verschillende gemarkeerde rondwandelingen uitgezet van 1,5 tot 5 km). Neem na de wandeling de waterbus terug naar Dordrecht (frequentie 1x per uur).
  1. Na terugkeer aan de Merwedekade ga je linksaf, de Merwedekade vervolgen, die overgaat in Bleijenhoek. Loop links onderlangs de kade langs het water en vervolgens over het houten voetpad of over de kade tot aan de trap aan het eind die je in de Torenstraat brengt. Hier schuin naar rechts oversteken de Veststraat in. Aan het eind van de Veststraat linksaf Sintjorisbrug. Je loopt rechtdoor de lange Sint Jorisweg in.
    (Wie het Dordrechts museum wil bezoeken – zeer de moeite waard –  gaat niet links de brug over maar rechtsaf en dan eerste straat links: Museumstraat; loop na het museumbezoek terug naar de Sintjorisbrug en pak de wandeling weer op.)
    Afkorting: Wie direct naar het station wil slaat niet linksaf de Sintjorisbrug over maar loopt rechtdoor (Vest). Neem vervolgens de tweede brug linksaf en loop de Johan de Witstraat in die je linea recta naar het station brengt.  
  1. Aan het eind van de Sint Jorisweg ligt aan de overkant van de straat, het pand Singel 78, een groot woonhuis/kantoor. Hier stond eerder villa Soekasari. Deze werd in 1886 gebouwd door de Dordtse jurist Herman Otto van der Linden. Van der Linden had als advocaat carrière gemaakt in Batavia. Hij verraste Dordrecht door achter zijn huis een tropische tuin te laten aanleggen. Die tuin maakt nu deel uit van Park Merwestein. Van der Lindens villa moest in 1899-1900 plaatsmaken voor het huidige herenhuis, dat echter nog wel Soekasari wordt genoemd.

Restant vuurspuwende berg tuin Soekasari

  1. Aan het eind van de Sint Jorisweg de singel oversteken en schuin rechts Park Merwestein in. Nog voor de zuil van Wichers, linksaf, een bruggetje over en een pad naar rechts in. Je  loopt nu door het zogeheten Bos van Staring, een wat ruiger deel van het park, waar ooit de tropische tuin van Van der Linden was. Loop rechtdoor over het pad. Aan het eind ligt links een heuveltje. Dat is er over van de kunstmatige vulkaan die van der Linden daar had laten aanleggen en die hij op gezette tijden door een bediende liet opstoken. Aan het eind van het pad rechts over een bruggetje, rechtsom langs de speeltuin en rechtdoor, iets verder water aan je rechterhand. Je komt uit op een T-splitsing met links een vogelkooi op een gemetselde stenen cirkel. Hier linksaf en iets verder op de volgende T-splitsing over de brug rechts. Rechtdoor over een cirkel en daarna min of meer rechtuit naar de uitgang van het park.
  1. Bij de uitgang Oranjepark/Vrieseweg rechtsaf en direct weer links Oranjepark. Loop deze straat helemaal uit tot je bij een drukke rotonde komt. Links om de rotonde en de tweede weg links inslaan, Transvaalstraat. Steek bij de oversteekplaats deze straat over en aan de overkant linksaf in de richting van de fiets- en voetgangerstunnel onder het spoor door. Let op: blijf eerst nog op het trottoir links bovenlangs de fietstunnel, tot de trap verderop die naar het voetgangersgedeelte beneden voert. Aan de andere kant de trap weer op en direct linksaf, Dubbeldamseweg-zuid. Ook deze straat komt na enige tijd uit op een rotonde.

Grafmonument P.J. Veth

  1. Op de rotonde zie je recht voor je al het hoge ijzeren hek van begraafplaats de Essenhof. Neem de rotonde linksom en steek de weg over en sla dan linksaf door het hek de weg in naar de begraafplaats. Rechtdoor een tweede hek passeren en de begraafplaats oplopen. Na circa 25 meter ligt rechts het praalgraf van P.J. Veth. Het is goed herkenbaar aan het standbeeld van een Indonesische vrouw.
  1. Loop rechtdoor naar het paviljoen en daar rechtsaf. Vervolgens het 2e pad rechtsaf en rechtdoor naar de uitgang Nassaustraat. Sla bij deze uitgang rechtsaf en loop de Nassauweg helemaal uit, tot je uitkomt bij een park (Weitzigtpark). Loop iets naar links het park (Charlotte van Praagpad) in en rechtdoor tot je uitkomt bij de achterzijde van NS-station Dordrecht.

Suikerfabriek Kedawong 1849 (H. Hesselaar Rijksmuseum)


Frans Lebret 

De Dordtse schilder Frans Lebret (1820-1909) was een gezien lid van de Dordtse kunstkring. Hij staat bekend om zijn schilderijen van landschappen en stalinterieurs met vee. Zijn bijnaam is dan ook de schapenschilder. Zijn romantische schilderijen vonden goed aftrek en in 1886 kon Lebret het land kopen waarop hij in 1898 dit huis liet bouwen.

Lebret maakte ook exotischer werk. In 1863 reisde hij samen met zijn broer Jan Hendrik naar zijn jongere broer Gerrit die in 1842 naar Java was vertrokken. Deze broer werkte eerst als (onder-) administrateur op de suikeronderneming Kedawung in Oost-Java. Na zijn huwelijk in de familie van zijn baas werd hij in 1853 eigenaar van deze onderneming. Hij stond onder landgenoten bekend als een innovatief ondernemer die bijvoorbeeld stoommachines op zijn snel groeiende bedrijf introduceerde. Op de landbouwonderneming woonden in 1866 bijna 3000 mannen, vrouwen en kinderen. Gerrit Lebret regeerde over hen als een autoritaire vorst, zoals gebruikelijk was als op alle koloniale ondernemingen.

De twee broers bleven één maand op de onderneming van hun broer. Daarna maakten zij nog een drie weken durende reis over Java. In totaal waren de broers vijf maanden van huis. Een dergelijke toeristische familietrip naar het andere eind van de wereld was in de 19e eeuw nog heel bijzonder. Tijdens zijn verblijf op Java maakte Frans Lebret tientallen tekeningen en enkele schilderijen van het Javaanse landschap en het boerenleven. Het Dordrechts Museum beheert zijn artistieke nalatenschap. Het reisdagboek van de schilder is in 2017 uitgegeven door de Linschotenvereniging onder de titel Op reis met pen en penseel.

Simon van Halweijn (Regionaal Archief Dordrecht)

directeurshuis plantage peperpot

Directeurshuis plantage Peperpot, nu cultureel erfgoed in Suriname (wikipedia)


Simon van Halewijn

Simon van Halewijn (1654-1727) stamde uit een familie van gefortuneerde Vlaamse handelaren die in 1585 na de val van Antwerpen hun heil zochten in Dordrecht. Aanvankelijk maakte Simon van Halewijn een glanzende carrière.  Hij trouwde met de jong gestorven Agneta de Witt, de dochter van de grote staatsman Johan de Witt. Van Halewijn was bewindvoerder van de West-Indische Compagnie en schopte het tot burgemeester van Dordrecht. Tijdens de Negenjarige oorlog (1688-1697) tegen Frankrijk knoopte Van Halewijn op eigen houtje en in het geheim vredesbesprekingen aan met het vijandelijke Frankrijk. Toen dat aan het licht kwam werd Van Halewijn in 1693 tot levenslang veroordeeld. Zes jaar later wist hij uit de staatsgevangenis Loevestein te ontvluchten net als Hugo de Groot 70 jaar eerder.

Simon van Halewijn vluchtte naar Suriname. Dankzij zijn invloedrijke familie, die hoge functies bekleedde in de West-Indische Compagnie, kon hij als banneling in Suriname een nieuw leven opbouwen. Hij kreeg bovendien hulp van de Dordtenaar Pieter van de Werff (1656- na 1710), eigenaar van de plantage Dordrecht. Van Halewijn werd een vermogend plantage-eigenaar. De eerste plantage die hij aankocht, noemde hij Beaumont, de familienaam van zijn moeder. In de jaren daarna kocht hij nog de suikerplantages Peperpot, Mopentibo, Puttenzorg en ’t Eyland. Op deze plantages werden tropische produkten voor de Europese markt verbouwd zoals suiker, tabak en koffie. Dat leverde de plantage-eigenaren goud geld op. Maar dat was alleen mogelijk door de slavenarbeid waarop de plantages dreven. Naar schatting verscheepten Nederlandse slavenhandelaren 275.000 Afrikanen naar Suriname om daar zonder beloning en onder mensonterende omstandigheden als slaven te werken.

Simon van Halewijn stierf in 1727 in Suriname. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werden zijn stoffelijke resten, in een loden kistje, overgebracht naar Nederland. Het was toch een soort eerherstel toen dat kistje in 1733 ‘met statie’ werd bijgezet in het familiegraf Teresteyn van Halewijn in de Grote Kerk van Dordrecht. Zijn neef, François Teresteyn van Halewijn (1677-1751), pensionaris van Dordrecht en bewindvoerder van de West-Indische Compagnie, erfde de plantages.

Wijnstraat 1835 wonningen trips

Wijnstraat, ca 1835. In het witte huis midden woonde Jacob Trip. Broer Elias woonde er tegenover (J. Rutten, Regionaal Archief Dordrecht)


Elias Trip

De familie Trip was in de 17e eeuw een van de rijkste handelsfamilies in Nederland. Oorspronkelijk kwamen de Trippen uit Zaltbommel waar ze actief waren in de Maashandel. Zij handelden in ijzer uit Luik. De rivierhandel bracht hen naar Dordrecht waar Elias Trip (1570?-1636)  in 1598 voor f 2.700 (ruim € 1200) een huis kocht bij de Wijnbrug. Het huis had vijf haardsteden wat betekende dat hij toen al tot de rijkste inwoners van Dordrecht behoorde. Zijn jongere broer Jacob (1575-1661), ook ijzerhandelaar, ging in 1610 eveneens aan de Wijnstraat wonen. Elias vertrok in 1614 naar Amsterdam, waar hij en drie zoons van zijn broer Jacob een fortuin verdienden in de wapenhandel. Elias was daarnaast zeer actief in de overzeese handel, ook al in zijn Dordtse jaren. Al rond 1600 rustte hij met andere kooplui expedities uit naar de Westkust van Afrika (Guinea-Ghana). Zij verkochten er ijzerwaren, koper en textiel en kochten er goud, huiden, gom en ivoor op. In die jaren waren de Nederlanders nog niet actief in de slavenhandel. De handel op Afrika was zeer riskant. Schipbreuken kwamen veel voor. Daarnaast werden de oorlogen die op Europese bodem woedden voortgezet op zee en aan de Afrikaanse kust. Zo verloor Elias Trip in 1609 twee van de drie schepen die hij naar West-Afrika had gestuurd. Een schip werd door vijandige Portugezen op Tenerife buit gemaakt. Het tweede viel bij El Mina in handen van de Portugezen. De bemanning overleefde dit niet. In 1621 verenigden de handelaren op Afrika zich in de West-Indische Compagnie. Elias was een van de belangrijke aandeelhouders. Ook in de eerder, in 1602, opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had hij een belangrijke stem. In 1614 werd hij benoemd in het bestuur van de VOC, dat zetelde in Amsterdam. Het was een van de redenen waarom hij vertrok uit Dordrecht. De VOC leverde hem niet alleen winst op. In 1622 overleed zijn zoon Jacob als scheepschirurgijn in dienst van de VOC in het Midden-Oosten.

Francois Valentijn Rijksmuseum

François Valentijn (Rijksmuseum)


François Valentijn

De in Dordrecht geboren François Valentijn (1666-1727) nam na zijn studie theologie in Leiden dienst bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Deze handelsonderneming stuurde hem in 1685 naar de Indonesische Archipel. Van 1686 tot 1694 werkte hij als dominee in het oosten van Indonesië, op het kruidnageleiland Ambon. De Ambonse eilanden waren toen al een christelijke enclave in een islamitische wereld. Wegens ruzie met collega’s moest hij in 1694 vertrekken, maar in 1705 zond de VOC hem voor de tweede keer uit naar Ambon. In 1712 kreeg hij opnieuw zijn ontslag, nu wegens ruzie met de hoogste baas van de VOC in Azië, gouverneur-generaal Abraham van Riebeeck (zie de koloniale wandeling Culemborg). Eenmaal terug in Dordrecht begon hij aan zijn opus magnus: Oud en Nieuw Oost-Indiën. In dit ruim 5.000 pagina’s tellende werk beschreef hij de geschiedenis van de VOC en de gebieden in Azië waarop de VOC handel dreef. Omdat de VOC haar bedrijfsgegevens geheim hield, putte hij uit eigen ervaring en verhalen van anderen die niet altijd even betrouwbaar waren. Valentijn was een goede verteller, ook van sterke verhalen. Maar hij was ook een ijdeltuit en prees de VOC en de Nederlanders de hemel in, ondanks de ruzie met zijn voormalig werkgever. Toch is zijn werk nog steeds een belangrijke bron van onze kennis over de VOC en delen van Azië. Het is dan ook in 2003-2004 opnieuw uitgegeven.

Dordst patriciershuis

Dordts Patriciërshuis


Jacob Trip de jongere

Jacob Trip de jonge (1604-1681) was de zoon van Jacob Trip (1575-1661) en Marguerite de Geer, die in 1610 aan de Wijnstraat in Dordrecht waren gaan wonen (zie hierboven Elias Trip). Jacob jr. vertrok al snel naar Amsterdam, waar hij bij zijn oom Elias Trip terecht kwam in de wapen- en koperhandel. Ook Jacobs broers Louis en Hendrick Trip trokken naar Amsterdam en gezamenlijk bouwden zij een echt imperium op in de handel en fabricage van wapentuig. Jacob en zijn broers waren net als hun oom ook aandeelhouders in de West- Indische en Oost-Indische Compagnie. Maar wat zijn broers aan zakelijk instinct teveel hadden, had Jacob te weinig. In 1651 zetten zijn broers hem uit de zaak. Hij ging terug naar Dordrecht waar hij in 1649 al een kavel had gekocht aan wat nu de Wolwevershaven heet. Daar liet hij een flink huis bouwen. En hij stortte zich in een nieuw zakelijk avontuur. Hij rustte in 1652 een expeditie uit naar Brazilië om daar zilvermijnen te gaan ontginnen. Om Brazilië woedde echter sinds 1630 een oorlog tussen de Nederlandse West-Indische Compagnie en Portugal. De Portugezen waren inmiddels aan de winnende hand. Zij wilden geen Nederlanders toelaten in het binnenland en overvielen de expeditie. Uiteindelijk wist één schip Dordrecht weer te bereiken. Maar de hele onderneming had uiteindelijk alleen maar geld gekost. Zo verging het Jacob jr. voortdurend en allengs verspeelde hij zijn hele fortuin en moest zijn familie bijspringen. In 1671 kocht zijn moeder het pand aan de Wolwevershaven dan ook van hem, waarna het huis van 1678 tot 1727 in handen was van de aangetrouwde Dordtse familie Neurenbergh. Daarna kocht J. Reepmaker het huis. Hij voegde de buurpanden eraan toe. Zo kreeg het huis zijn huidige aanblik. Tegenwoordig is Het Dordts Patriciërshuis/Museum aan de Maas in dit pand gevestigd, dat een goede indruk geeft van het interieur van een 18e eeuwse patriciërswoning.

West-Indisch Huis Dordrecht

Deurversiering West-Indisch Huis Dordrecht


West-Indisch Huis 

Dordrecht was een van de steden die aan de wieg stonden van de West-Indische Compagnie (WIC). De stad maakte deel uit van de afdeling Rotterdam die in 1621 deze handelsonderneming oprichtte. Het doel was de concurrentie met Spanje en Portugal aan te gaan in de handel op Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. De belangrijkste handelswaar van de WIC waren suiker en Afrikanen, die als slaven werden verhandeld. Zij werden aan de plantagehouders in Noord- en Zuid-Amerika verkocht, vooral aan die in Suriname. De Afrikanen moesten daar werken op de landbouwplantages waar tropische producten werden verbouwd voor de Europese markt. Vooral de aanleg van en het werk op de suikerplantages was beulswerk. Uiteindelijk bracht de WIC de vaten ruwe suiker naar haar pakhuizen in Nederland, zoals hier in Dordrecht. De Dordtse bewindvoerders van de West-Indische Compagnie vergaderden in een pand aan de Wijnstraat, die parallel liep aan de Kuipershaven. In 1735 liet de Dordtse suikerhandelaar Frederik Wilkens (1692-1745) op die plek een groot en voornaam woonhuis bouwen. Hij had een fortuin verdiend in de suikerfabricage en -handel. Zijn suikerraffinaderij De Ossekop en de bijbehorende pakhuizen, stonden achter zijn woonhuis en kwamen uit op de Kuipershaven. De suiker werd in de vorm van een kegel, met een blauw papieren manchet aan de onderkant, verhandeld. Een dergelijk ‘suikerbroodje’ is nog altijd te zien boven de deur van Het West-Indisch Huis. Na jarenlang als drukkerij te zijn gebruikt zijn het oude woonhuis en de vroegere bedrijfsgebouwen weer met elkaar verbonden. Vier stijlkamers zijn hersteld in hun 18e-eeuwse luister. Helaas is dit erfgoed wel als vergaderruimte te huur, maar niet open voor publiek.

otto van der linden

Otto van der Linden (Regionaal Archief Dordrecht)

Villa Soekasari

De oorspronkelijke villa Soekasari (Regionaal Archief Dordrecht)


Herman Otto van der Linden 

Herman Otto van der Linden (1839 -1891) vertrok na zijn rechtenstudie naar Batavia, de hoofdstad van het voormalig Nederlands-Indië. Hij werkte daar als advocaat en procureur. Vandaar bezocht hij de Banda-eilanden, waar de oorspronkelijke bevolking door Jan Pieterszoon Coen in 1621 was uitgemoord of verjaagd. Deze volkerenmoord moest de VOC het monopolie verschaffen op de handel in nootmuskaat en foelie. Tot 1864 behield het Nederlands-Indische gouvernement zijn monopolie op de aankoop van deze specerijen. De teelt vond plaats onder leiding van zogeheten perkeniers, dat waren Nederlandse kolonisten en hun afstammelingen. Het werk werd voornamelijk gedaan door slaven, en in de 19e eeuw ook door veroordeelde en naar Banda verbannen gevangenen en ontheemden, meest Javanen. Van der Linden beschreef de geschiedenis van Banda in het boekje Banda en zijn bewoners (1873). Daarin is hij wel kritisch over het monopoliestelsel en het lang voortduren – tot 1860 – van de slavernij op Banda. Maar evenmin als veel tijdgenoten had hij kritiek op Coen, die toentertijd als de grondlegger van het Nederlands imperium werd vereerd.

Van der Linden vertrok in 1882 als een welgesteld man uit Batavia en keerde na een reis door China en Japan terug naar Dordrecht. Daar liet hij in 1886 de kolossale villa Soekasari  (‘ik heb er plezier in’) bouwen, pal naast het huis van zijn moeder. Erachter liet hij een tuin aanleggen waarin hij zijn Indische natuurervaringen kon herbeleven: er waren bamboebossen, mangrove en een pagode in te vinden en zelfs een ‘vuurspuwende berg’, een zeldzaam verschijnsel in Europese siertuinen. Toen de gemeente naast zijn tuin het Park Merwestein liet aanleggen, kreeg hij hoogoplopende ruzie met de tuinarchitect C. Kwast. Kwast wilde een traditioneel, formeel park aanleggen. Van der Linden pleitte juist hartstochtelijk voor wat hij de ‘natuurstijl’ noemde. Maar met zijn uit puin opgetrokken en door bedienden opgestookte vulkaan was zijn eigen tuin evenmin erg natuurlijk. Van zijn tuin is nagenoeg niets over.

pj veth

P.J. Veth  (Rijksmuseum)


Pieter Johannes Veth

Pieter Veth (1814-1895) was de zoon van de Dordtse ijzerhandelaar Huibert Veth en Cornelia Johanna Pickee. De familie was in goeden doen want zijn vader kon eind achttiende eeuw een winkel openen aan de Voorstraat, waar wij eerder al langskwamen. Zoon Pieter kreeg dan ook de kans om in Leiden van 1832 tot 1838 theologie te gaan studeren. Dominee wilde hij uiteindelijk echter niet worden. Hij werd docent Engels en Maleis – dat hij zelf eerst nog moest leren! – aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Daar werden officieren voor het leger in Nederlands-Indië opgeleid. Op de Academie kreeg hij belangstelling voor de volken en geografie van de Indonesische archipel. Na aanstellingen aan het Atheneum (hogeschool) te Franeker en het Atheneum Illustre in Amsterdam kon hij in 1864 aan de slag in Leiden als hoogleraar (taal- en volkenkunde) aan de opleiding waar bestuursambtenaren voor Nederlands-Indië werden klaar gestoomd. In 1877 werd hij aan de Leidse universiteit benoemd tot professor Aziatische Talen en Culturen. Veth schreef dikke, wetenschappelijk doorwrochte volkenkundige studies, onder meer over West-Kalimantan (Borneo), Midden-Sumatra en Java. Hij wordt daarom beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse antropologie. Van participerende antropologie was geen sprake. Veth schreef zijn hele leven over Nederlands-Indië, maar bezocht de kolonie nooit.

In politiek opzicht was Veth een liberaal. Hij wilde dat het parlement zich kon bemoeien met het koloniale beleid en dat er persvrijheid en vrijheid van meningsuiting moest komen in de kolonie. Tegelijkertijd geloofde hij in de superioriteit van de christelijke, westerse cultuur. Daarom zag hij voor Nederland een beschavingstaak weggelegd in Indonesië. Daarin kon een klein land groot zijn. Veth was dan ook een grondlegger, bestuurs- of redactielid van organisaties en tijdschriften die de burgerij in Nederland wilden informeren over de Indonesische Archipel. Hij stond bijvoorbeeld in 1873 aan de wieg van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Dat organiseerde diverse expedities naar delen van de archipel die nog niet in kaart waren gebracht. Veth hoopte zo de uitbreiding van het Nederlandse gezag te stimuleren.

Veth overleed in Arnhem maar is, zoals hij wilde, begraven op de Algemene begraafplaats Essenhof in Dordrecht. Drie jaar later namen zijn vrienden het initiatief om op Veths graf een monument te plaatsen. Het beeld van de  jonge Javaanse vrouw die een hoorn des overvloeds in haar hand houdt, is ontworpen door J. Mendes da Costa. Op de sokkel zijn enkele regels gebeeldhouwd uit een gedicht van P.A.M. van Boele van Hensbroek: “Zag nimmer ook zijn oog mijn schoon, hij heeft mij liefgehad als geen. Hij kende mij, mijn land, mijn woon, mijn hart, mijn lachen en geween”.

Bronnen
Ron Habiboe, Tot verheffing van mijne natie. Het leven en werk van François Valentijn (1666-1727) (2004).
Anne Leussink en Wyke Sybesma (red.), Op reis met pen en penseel. Frans en Jan Hendrik Lebret als toerist naar Java, 1863 (Zutphen 2017).
Wim Meulenkamp, ‘Explosies in de achtertuin’, Onze Eigen Tuin, herfst 2015.
P.W. Klein, De Trippen in de 17e eeuw (Assen 1965). Herman Otto van der Linden, Banda en zijne bewoners (Dordrecht 1873).
Paul van der Velde, Een Indische Liefde: P.J. Veth (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-Indië (Amsterdam, 2000).
Noeska de Wit, ‘Villa Soekasari. Een Indisch lustoord in Zuid-Holland’, Cascade, Bulletin voor tuinhistorie, jrg 5 (1996) 2– 26.
Jaap Bouman, ‘Dordt ruïneerde Hagestein’, Algemeen Dagblad, 16-5-2017.
www.franslebret.wordpress.com
www.dordrechtsmuseum.nl
www.dodenakkers.nl
www.wikipedia.org: Simon van Halewijn, Dordrecht (Suriname)
www.regionaalarchiefdordrecht.nl/biografisch-woordenboek (lemma’s Simon van Halewijn en Elias en Jacob trip)
www.parkmerwestein.nl
T. van Halewijn, De heren Van Halewijn uit Dordrecht, 1586-1727, (hallewijn, blogspot.nl 2012).
www.indischebuurten.nl: dordrecht