KOLONIALE WANDELING ‘s-HERTOGENBOSCH

Handelsgeest en bekeringsdrift

’s-Hertogenbosch heeft verrassend veel koloniaal erfgoed te bieden. De Noord-Brabantse hoofdstad herbergde weliswaar geen kamer van de VOC of de WIC, maar vanaf de achttiende eeuw kwam de handel in koloniale waren op gang. Ook het industriële erfgoed heeft deels koloniale wortels. En dan is er nog de missie van de vele congregaties die in de negentiende eeuw opbloeiden in het katholieke Zuiden, inclusief Den Bosch. Maar ook de anti-koloniale stemmen ontbreken niet. De rondwandeling voert door de Bossche binnenstad en natuurgebied Bossche Broek.

Lengte wandeling:
9 of 13 km

Start- en eindpunt:
Station ‘s-Hertogenbosch
Parkeerplaats:
P&R Station ‘s-Hertogenbosch Maijweg

Horeca:
In de stad
Musea:
Het Noordbrabants Museum(di-zo)
Museum Slager (di-zo)

Ook geschikt voor andere GPX apparaten

De route

  1. Neem op het station uitgang centrum. Met je rug naar de uitgang van het station rechtdoor, Stationsweg. Voor het water linksaf, Havensingel. Derde straat linksaf, Halvemaanstraat, die schuin naar rechts overgaat in Emmaplein. Hier schuin naar rechts oversteken naar de Oisterwijkstraat. Derde straat rechtsaf, Boschveldweg. Wat verder (Boschveldweg 471) ligt aan je rechterhand de oude sigarenfabriek Willem II, voorheen de sigarenfabriek Goulmy & Baar. De grote fabriek is sinds 1987 het kunstcentrum Willem II
  1. Aan het eind van de Boschveldweg rechtsaf, Boschdijkstraat. Op het grote kruispunt, Brugplein, rechtdoor, de brug over de Dommel. Aan het eind van de brug linksaf, Oliemolensingel. Iets verder ligt aan je rechterhand de oude haven van ’s-Hertogenbosch. 
  1. Hier gaan we rechtsaf, Brede Haven. Op Brede Haven 13 (nog steeds aan de rechterzijde van de haven) heeft Marie Porreij, beter bekend als de schrijfster Nellie van Kol, gewoond.
  1. Aan de overkant van de haven (Smalle Haven) zie je links een groot wit-bakstenen appartementencomplex. Dat staat op de plaats waar tot 1980 het Gele Monster stond, de bijnaam voor de grote fabriek en het kantoor van De Gruyter. De Gruyter was in de 19e eeuw begonnen als een kruideniersbedrijf in koloniale producten als koffie, thee en suiker.
  1. Aan het eind van de Brede Haven min of meer rechtdoor: Lepelstraat. Eerste straat linksaf, Korenbrugstraat. Op Korenbrugstraat 2/hoek Kruisstraat is een gevelsteen te vinden die herinnert aan de suikerverkoop en -raffinage in de stad halverwege de 18e eeuw
  1. Sla de Kruisstraat naar links in. Dan de eerste straat rechtsaf, Visstraat. Je komt aan het eind uit op de Hooge Steenweg. Voor je zie je het gebouw van de bank van Van Lanschot. De koloniale handel van Cornelis van Lanschot en zijn zoon en kleinzoon legde de basis voor het latere bankiersbedrijf.
  1. De Hooge Steenweg komt uit op de Markt. Op de plaats van Markt 17 was ooit de eerste winkel annex groothandel in koloniale waren gevestigd van Cornelis van Lanschot. Op de plaats van Markt nr 65 vestigde Dirk Van Bree (we komen hem straks nog tegen) in 1671 een suikerraffinaderij die werd overgenomen door Godefridus en Franciscus van Lanschot (zoon en kleinzoon van Cornelis). Het pand brandde in 1807 tot de grond toe af.
  1. Halverwege de zuidzijde van de Markt de Ridderstraat naar rechts inslaan. Aan het eind linksaf, Achter het Stadhuis, en direct weer de eerste  straat rechts Verwerstraat. Die brengt je bij het Noord-Brabants Museum, het vroegere paleis van de militaire gouverneur van Noord-Brabant. Op zaal zijn geen objecten die refereren aan Brabants koloniale verleden, maar in het depot ligt de collectie van Johannes Waleson opgeslagen. Drie zonen van Johannes Waleson werkten in de Nederlandse koloniën en stuurden bijzondere objecten naar hun vader. Deze verkocht zijn verzameling in 1858 aan een voorloper van het Noordbrabants Museum.
  1. Loop even terug naar de hoek van de Verwerstraat met de Waterstraat en sla deze laatste naar links in. Op de viersprong min of meer rechtdoor: Keizerstraat. Aan Keizerstraat 12 is het Hof van Zevenbergen gevestigd, een van de meest luxueuze huizen van het oude ’s-Hertogenbosch. In 1693 kwam een deel van dit pand in handen van de familie van Bree, die zijn rijkdom te danken had aan de suikerraffinaderij op de Markt.

Monument Joseph Dobbe, Sint-Catharinakerk

  1. Aan het einde van Keizersstraat rechtsaf Sint Jorisstraat. Eerste straat linksaf, Kruisbroedersstraatje, overgaand in de Kruisbroedershof, die je naar de Sint-Catharinakerk brengt. In de kerk is een plaquette te vinden die herinnert aan de dood van de missionaris Joseph Dobbe tijdens de Bokseropstand in China 1899-1900.
  1. Aan het eind van de Kruisbroedershof rechtsaf: Kuipertjeswal. Aan het eind rechtsaf Vughterstraat en direct linksaf Berewoutstraat. Dan de eerste straat rechtsaf, Uilenburg en vervolgens linksaf het pad door het Stadspark Mariënburg. In het park steeds links aanhouden dan kom je uit op de Sint Janssingel. Daar heb je het volle zicht op het imposante, voormalige klooster Mariënburg, het moederhuis van de Zusters van Jezus, Maria en Josef, een congregatie die sinds eind 19e eeuw missioneerde in Nederlands-Indië.

Anamnesis, beelhouwer Fernando Sánchez Castillo, 2003.

  1. Sla de Janssingel naar links in, 25 meter verder vind je op de vestingwal het beeld Anamnesis van de Spaanse beeldhouwer Fernando Sánchez Castillo. Dit beeld herinnert aan het Spaanse koloniale verleden. Spanje, dat in de 19e eeuw veel kolonies verloor, vocht in 1859-1860 met Marokko een oorlog uit om de stadskolonies Ceuta en Melilla. Die twee kuststeden in Noord-Afrika waren vanaf 1688 in Spaanse handen. Spanje won in 1860 de oorlog tegen Marokko. En tot op de dag van vandaag zijn Ceuta en Melilla in Spaanse handen. In Madrid herinneren twee (complete) leeuwen, gegoten uit het brons van veroverde Marokkaanse kanonnen, aan de overwinning van 1860. De beeldhouwer heeft die leeuwen als inspiratiebron gebruikt. Maar zijn leeuwen laten de vergankelijkheid van macht zien.
  1. De Janssingel gaat over in de Westwal. Aan het eind op de T-splitsing linksaf, het voet/fietspad op (links voor je zie je aan de overkant van het kruispunt de brug waar je naar toe moet). Neem vervolgens het eerste voetpad rechtsaf en aan het eind linksaf naar de voetgangerslichten. Steek hier over en loop de brug over de Dommel op. Halverwege de brug is links een trap naar beneden. Neem die trap die je naar wandelknooppunt 52 brengt. Loop door naar de trekpont De Moerasdraak over de Dommel. Trek jezelf de Dommel over. Je arriveert in het natuurgebied het Bossche Broek. Hier kun je kiezen voor een korte of een 4 km langere variant.
    (Afkorting: Sla bij het bord wat de wandelmogelijkheden aangeeft linksaf, aanduiding NS-wandeling. Je volgt de contouren van het bastion en de vestingmuur aan de overkant van de Dommel. Je komt uit op het kruispunt tussen de Pettelaarsweg en de Zuidwal bij wandelknooppunt 53. Ga verder bij punt 15). 
  1. Voor de langere variant: Sla op de oever van de Dommel direct rechtsaf, het pad op langs de Dommel, richting  wandelknooppunt 80. Daarna wandel je verder naar wandelknooppunt 81, naar wandelknooppunt 82 en als laatste wandelknooppunt 53, gelegen op het kruispunt tussen de Pettelaarsweg en de Zuidwal.
  1. Bij wandelknooppunt 53 rechtsaf richting wandelknooppunt 83 en linksaf bij de voetgangerslichten, de Hekellaan over. Aan de overzijde van de Hekellaan rechtsaf. Aan Hekellaan 4 is de voormalige Rijks-HBS te vinden. Hier kreeg Henk Sneevliet, beroepsrevolutionair in Nederland, Nederlands-Indië en de rest van de wereld, zijn middelbare school opleiding.
  1. Na Hekellaan 4 eerste straat linksaf, Bethaniestraat. Aan het einde, bij de T-splitsing, rechtsaf en met de bocht mee naar links. Je komt uit op een T-splitsing met de Hinthamerstraat. Hier rechtsaf naar huis nr. 190-192 (met uithangbord In de drei swarte mollen): de voormalige koffiebranderij De Drie Mollen van de familie Sweens. Loop de Hinthamerstraat verder uit. Je komt langs Hinthamerstraat nr 212, In den Palmboom, ook ooit bezit van de familie Sweens. Bij de Y-splitsing links aanhouden. Je komt uit bij de Zuid-Willemsvaart.
  1. Sla de Zuid-Willemsvaart naar links in en loop door naar nr 159. Waarschijnlijk woonde in dit pand Johannes Waleson, die mogelijk in dit huis zijn collectie exotica etaleerde. Aan de Zuid-Willemsvaart, waar precies is onduidelijk, werd in 1851 Marie Porreij geboren. Loop vanaf nr 159 even terug en sla de eerste straat rechts in: Schilderstraat. Die komt weer uit op de Hinthamerstraat.
  1. Op de Hinthamerstraat rechtsaf en de eerste straat links: Clarastraat. Eerste straat rechts: Choorstraat. Aan de Choorstraat 4 is Museum Slager gevestigd, museum voor realistische kunst. Sommige leden van deze familie hadden nauwe banden met de kolonie Nederlands-Indië. Aan de Choorstraat is ook het klooster van de Dochters van Maria en Joseph gevestigd, beter bekend als Zusters van de Choorstraat. Deze congregatie missioneert sinds 1938 op Java (Indonesië)
  1. De Choorstraat uitlopen. Rechts van je ligt de Sint-Jan Kathedraal. Neem de ingang iets verderop rechts. In de kathedraal is het beeld te vinden van de zalig verklaarde Peerke Donders. Hij zorgde in het 19e eeuwse Suriname voor melaatsen.
  1. Als je (bij de Mariakapel) de kathedraal  uitkomt, linksaf en dan rechtsaf de Torenstraat in die uitkomt op de Hinthamerstraat. Op de hoek Torenstraat/Hinthamerstraat 81 werd in 1848 Houtman’s Sigarenfabriek en sigarenwinkel gevestigd. Het gebouw draagt daarvan nog de sporen. Ongeveer op de hoogte van de vroegere sigarenwinkel stond in 1839 aan de Hinthamerstraat  het geboortehuis van bisschop Wilhelmus Wulfingh, de eerste rooms-katholieke bisschop van Suriname.
  1. Loop de Hinthamerstraat uit die je terug op de Markt brengt. Waarschijnlijk werd hier op 11 juli 1647 de olifant Hansken aan het hoog geëerd publiek vertoond, op de Jaarmarkt ter gelegenheid van Onze-Lieve-Vrouwe-Visitatie. De Aziatische olifant was een gift van de vorst van Kandy (Sri Lanka) aan stadhouder Frederik Hendrik. Steek de Markt schuin naar links over. Aan het eind, op de kruising met de Pensmarkt, rechtsaf Hooge Steenweg. Eerste straat linksaf Visstraat. Deze gaat over in de Stationsweg, kruist de Dommel, en brengt je terug bij het station

Reclamemateriaal Goulmy & Baar (Erfgoedcentrum Brabant)


Goulmy & Baar/Willem II Sigarenfabriek 

De Bosschenaar Eugène Goulmy (1865-1951) was van huis uit een ondernemer. Maar waar zijn vader een beroemde Bossche patissier was, zocht hij het in de sigaren. Sigarenroken werd in de tweede helft van de 19e eeuw heel populair in Nederland. Met de fabricage en verkoop van sigaren viel veel geld te verdienen. Goulmy begon in 1887 met een klein fabriekje in Amsterdam. Nadat hij zich in 1890 associeerde met de Duitser Rudolph Baar (1864-1929) kon hij vier jaar later een als herenhuis vermomde sigarenfabriek aan het Amsterdamse Rokin laten bouwen. Dat was in de stijl van zijn grote voorbeeld, Jacob Nienhuys. Deze Nienhuys was in 1863 de eerste tabaksplanter in Deli, een sultanaat in Noord-Sumatra dat toen deel uitmaakte van de kolonie Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Nienhuys was in 1869 ook een van de oprichters van de Deli-Maatschappij. Deze onderneming zorgde voor een razendsnelle groei van de tabaksplantages in Deli. Dat was alleen mogelijk door de aanvoer van duizenden contractarbeiders uit vooral China en Java. Deze contractarbeiders verhuurden zich voor een aantal jaren voor een hongerloontje en waren overgeleverd aan de grillen van de plantagedirecteuren. Hun wil was wet (zie koloniale wandeling Baarn).

Door het wonder van Deli, zoals de groei van de tabakscultuur daar werd genoemd, groeide de tabaksinvoer in Nederland en dat was een grote stimulans voor de sigarenindustrie. In ’s-Hertogenbosch lieten Goulmy en Baar in 1898-1899 deze sigarenfabriek met de allures van een kasteel bouwen. Het was een ‘modelfabriek’ met centrale verwarming, een centraal ventilatiesysteem en moderne toiletten. Het was voor de Eerste Wereldoorlog de grootste sigarenfabriek van Nederland waar 500 sigarenmakers werkten en in 1911 41 miljoen handgemaakte sigaren werden geproduceerd, merendeels voor de export naar Duitsland. Het succes van Goulmy & Baar werkte aanstekelijk. De sigarenbranche in de stad groeide en bood in 1915 werk aan bijna een derde van de industriële Bossche beroepsbevolking.

Na de Eerste Wereldoorlog, toen de sigaret populair werd en de Duitse exportmarkt instortte, kreeg Goulmy & Baar het zwaar. In 1929 kwam het einde. De fabriek werd verkocht aan Harry Kersten, eigenaar van de sigarenfabriek Willem II uit Valkenswaard. De productie werd steeds meer gemechaniseerd. Maar ook voor Willem II viel in 1977 het doek. De fabriek werd gekocht door de gemeente. Tegenwoordig is het een centrum voor muziek en beeldende kunst.

Gildepenning schippersgilde ‘s-Hertogenbosch 1780-1781 (Rijksmuseum)


Oude Haven

De haven ligt op de plaats waar de Dieze, Dommel en Aa samenkomen. Zij was van de 17e tot 19e eeuw een belangrijk tussenstation in de vaarroutes tussen de Hollandse steden, het Duitse rijk en de Zuidelijke Nederlanden. Een deel van de handelswaar bestond uit koloniale producten: specerijen, suiker, koffie en thee. Deze koloniale waren werden in de 17e en 18e eeuw aangevoerd door twee grote handelscompagnieën, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (de VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). De VOC bouwde een handelsimperium op in Azië met als centrum het huidige Indonesië. De WIC had Afrika en de Amerika’s als haar werkterrein. Beide handelscompagnieën lieten het niet bij handeldrijven. De Nederlandse regering had hen de bevoegdheid gegeven om verdragen te sluiten en oorlog te voeren en dat deden zij ook volop. Dit gewelddadige optreden tegen de bevolking – zoals bijvoorbeeld op Banda in 1621 – heeft de reputatie van de handelscompagnieën zwaar beschadigd. Daarnaast wordt de WIC en de VOC tegenwoordig vooral nagedragen dat zij zich bezighielden met slavenhandel en slavernij. Naar schatting hebben de WIC en andere Nederlandse handelaren in de 17e en 18e eeuw vanuit West-Afrika 600.000 mensen als slaaf naar de Amerika’s vervoerd. In Azië gaat het naar schatting om 600.000 tot 1,1 miljoen mensen die als slaven naar het VOC-gebied zijn versleept, vooral door VOC-personeel, en andere Europese, Aziatische en Arabische handelaren.

’s-Hertogenbosch was eerst alleen via de handel in koloniale goederen betrokken bij deze koloniale geschiedenis. Hier waren geen afdelingen van de VOC en de WIC, zoals in de Hollandse en Zeeuwse steden. Dat had natuurlijk alles te maken met het verloop van de Tachtigjarige Oorlog. Noord-Brabant eindigde in 1648 als een ‘generaliteitsgebied’. Tot de Franse tijd (1794-1814) werd Noord-Brabant bestuurd door de Staten-Generaal en had geen eigen stem in het landsbestuur. In economisch opzicht was het een wingewest, een ‘interne kolonie’ volgens sommige historici. Maar hoe beperkt de koloniale betrokkenheid ook, toch zijn er in de 17e en 18e eeuw enkele Bossche families, die we straks nog zullen tegenkomen, groot geworden met de handel in koloniale waren. Maar pas in de 19e  eeuw gaat ’s-Hertogenbosch een grotere rol spelen in Nederlands koloniale geschiedenis.

Marie Porreij / Nellie van Kol


Marie Porreij (Nellie van Kol) (1851-1930)

Jacoba Maria Petronella Nellie Porreij werd in 1851 in ’s-Hertogenbosch geboren aan de Zuid-Willemsvaart (toen noordelijke Kanaaldijk, waar precies viel (nog) niet te traceren). Zij was het oudste kind van belastinginspecteur David Porreij en Sophia Frederika Juliana Wilhelmina Neirinckx. Aan haar onbezorgde jeugd in het gegoede, streng protestante gezin kwam een einde toen haar vader in 1864 stierf. Het gehavende gezin, dat toen aan de Breede Haven 13 woonde, verliet een jaar later ’s-Hertogenbosch. Marie behaalde een akte voor onderwijzeres, maar het werk als onderwijzers beviel haar niet.

In 1877 vertrok ze als gouvernante naar de kolonie Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Maar ook het leven als gouvernante viel haar niet mee. Schrijven ging haar beter af. Sinds 1881 publiceerde ze onder haar schrijversnaam Nellie haar populaire ‘brieven aan Minette’ in het Soerabaja’s Handelsblad. Ze vielen ook in de smaak van ingenieur Henri H. van Kol in Surabaya. Van Kol was niet alleen een koloniaal ambtenaar, maar sinds zijn studietijd in Delft ook een overtuigd socialist, een zeldzame combinatie. In 1883 trouwde het stel. Zij kregen vier kinderen van wie er twee jong stierven. Tijdens hun Europese verlof van 1884 tot 1886 legden ze contact met veel grote socialistische mannen onder wie Domela Nieuwenhuis, de voorman van socialistisch Nederland. Terug in de kolonie publiceerde niet alleen Henri maar ook Nellie in de socialistische pers, als een van de weinige vrouwen. In 1892 gingen ze, vanwege Van Kols gezondheid, voorgoed terug naar Europa. In 1893 richtte Nellie met de Gentse socialiste Emilie Claeys de Hollandsch-Vlaamsche Vrouwenbond op met het bijbehorende maandblad De Vrouw. Zij bracht in 1898 ook het eerste seksuele voorlichtingsboek in Nederland uit.

Rond de eeuwwisseling trok zij zich terug uit het openbare leven. Ze nam meer afstand van het socialisme, zocht haar inspiratie in het christendom en legde zich toe op haar oude liefde, de jeugdliteratuur. Al in 1883 had ze aan de wieg gestaan van de Indische Kinder Courant en haar eerste bundel kinderverhalen gepubliceerd. Het stel groeide steeds verder uit elkaar. Terwijl Henri van Kol actief was in de Nederlandse politiek , sloot Nellie van Kol zich in 1908 aan bij het Leger des Heils .  Zij overleed in 1930 in Utrecht. In 1987 werd in noord ’s-Hertogenbosch een hofje naar deze vroege feministe genoemd (het Nellie van Kolhof).

Reclamemateriaal De Gruyter 


De Gruyter

In 1818 begon Piet de Gruijter in de Bossche binnenstad een winkel in granen, bonen, kippenvoer etc. De winkel groeide gestaag maar het waren zijn kleinzonen Jaques en Lambert de Gruijter die het winkelbedrijf vanaf ca. 1900 sterk uitbreiden. Typerend voor De Gruyter was dat fabricage en verkoop zoveel mogelijk in een hand werd gehouden. In 1904 bouwde Lambert daarom hier aan de Smalle Haven een grote fabriek. Vanwege de gele bakstenen kreeg ze de bijnaam ‘Het gele monster’. In deze fabriek werden ook de koloniale halfprodukten verwerkt waarmee De Gruyter groot werd: koffie werd hier gebrand en cacao verwerkt tot chocolade. In de reclame ontbraken de koloniale stereotypen niet van gelukkige bruine mannen en vrouwen die lachend de koffie- en theestruiken leegplukten. Dat gold evenzeer voor de reclameboodschappen van De Gruyter’s grote concurrent, Albert Heijn, en andere grote kruideniersbedrijven. Wat zwaar aangezet: deze plaatjes maakten deel uit van Nederlands koloniale cultuur die het koloniale gezag overzee legitimeerden. De Gruyter ging in de jaren 1970 ten onder, onder meer omdat ze te laat overschakelde op het supermarktconcept. In 1980 werd het Gele Monster gesloopt. Pikant detail: op de plaats waar de De Gruyter fabriek en later wooncomplex De Brusselse Poort verrees, was in 1789 een herenhuis gebouwd. De Bossche wijnhandelaar Augustinus Tilmanus van Ryckevorsel (1748-1809) kocht dit pand rond 1800 en richtte het al in als groothandel voor koloniale waren.


Gevelsteen

Dit huis op de hoek van de Kruisstraat en de Korenbrugstraat droeg in 1743 de naam ‘De gekroonde kandypot’.  De voor- en zijgevel van het 15e-eeuwse huis werd in 1875 ingrijpend verbouwd, maar de gevelsteen bleef bewaard. Kandij is een speciale vorm van suiker en werd net als ‘gewone’ suiker gewonnen uit suikerriet. Rietsuiker was toen goud waard, omdat bietsuiker tot 1850 onbekend was. Suikerriet werd op grote schaal verbouwd op plantages in het Caribisch gebied, bijvoorbeeld Suriname. Honderdduizenden tot slaaf gemaakten werden hiervoor ingezet. Ruwe suiker werd vervoerd naar Europa, waar het verder werd geraffineerd. Op de gevelsteen zien we in het midden een zogeheten kandijpot. Dat is een vat dat in een suikerraffinaderij werd gebruikt om de gloeiend hete kandij in te storten. Daarnaast liggen twee zogeheten suikerbroden. Suiker werd toentertijd verkocht in de vorm van een kegel met aan de onderkant een blauw papieren machet. De gevelsteen lijkt erop te wijzen dat in dit pand behalve een winkel ook een suikerraffinaderij was gevestigd. Maar verder onderzoek moet dit bevestigen.

Van Lanschot Bank


Van Lanschot 

Voor de wortels van het bankiersbedrijf Van Lanschot moeten we terug naar Cornelis van Lanschot (1711-1789) uit Loon op Zand. Deze brouwerszoon trouwde in 1737 met de rijke Henrica Henrici uit Venlo. Het jonge paar vestigde zich in ’s-Hertogenbosch. Cornelis kon door het geld van zijn vrouw poorter worden, een vereiste om lid te kunnen worden van het koopmansgilde. Hij legde zich toe op de handel in koloniale waren: suiker, koffie, thee, cacao, tabak, rijst. Hij profiteerde daarbij van de gunstige ligging van Den Bosch als overslaghaven (zie hierboven). Hij kocht zijn goederen van de VOC en WIC en verkocht ze in Midden- en Oost-Brabant, Luik, en het Duitse rijk. De zaken floreerden en in 1753 begon hij aan de Markt (nr 17) een winkel en groothandel in koloniale waren. Zijn zoon Godefridus (1743-1799) zette die zaak voort. Bovendien nam hij in 1789 aan de Markt (nr 65) het Suikerhuis over, de suikerraffinaderij die was opgezet door Dirck van Bree (zie hierna). Kleinzoon Franciscus (1768-1851) bestierde deze raffinaderij tot de dood van zijn vader in 1799, toen hij het familiebedrijf overnam en de raffinaderij verkocht.

Rond 1800 was Van Lanschot het belangrijkste handelshuis in de stad. In deze ‘Franse tijd’ kreeg ook de eerste Van Lanschot zitting in het stadsbestuur. In de oude Nederlandse Republiek waren rooms-katholieken zoals de Van Lanschots daarvan uitgesloten. Kleinzoon Franciscus begon naast de goederenhandel een incassobedrijf en legde daarmee de basis voor het bankbedrijf. Achter-achter kleinzoon Godefridus L.H. van Lanschot (1835-1907) zou de goederenhandel afstoten en zich helemaal concentreren op het bankiersbedrijf.

Vanwege de handel in koloniale waren kwam recent de onvermijdelijke vraag op naar het ‘slavernijverleden’ van Van Lanschot. Onderzoek door Fatah-Black en Oostindie leerde dat er wel sprake was van indirecte betrokkenheid door de verkoop van koloniale goederen, maar niet van directe betrokkenheid: de familie bezat geen plantages en investeerde niet in de WIC of de VOC.

Tunggal panaluan uit de Bataklanden (collectie Waleson Noordbrabants Museum)


Johannes Waleson en zonen

Johannes Waleson (1778-1867) had in zijn huis aan de Kanaaldijk (nu Zuid-Willemsvaart  waarschijnlijk nr. 159) een grote collectie bijzondere objecten bijeengebracht, van fossielen tot vazen. Een apart vertrek was ingericht voor ‘Indische wapens, gereedschappen en zeldzaamheden’. Johannes was magazijnmeester bij Defensie en nooit in de koloniën geweest. Maar van zijn twaalf kinderen waren er drie zoons uitgevaren. Christoffel Johannes (1803-1853) was marineofficier en nam voor zijn vaders verzameling een aantal objecten mee uit het Caribisch gebied. Marinus Adrianus (1816-1869) was eerst zeeman en vertrok in 1863 (47 jaar oud) alsnog naar Nederlands-Indië. Hij stierf in 1869 als belastingambtenaar in Kupang, Timor. Waarschijnlijk had hij geen groot aandeel in de collectie. De meeste voorwerpen waren opgestuurd door Jacobus Anthony (1807-1882). Deze zoon was officier in het koloniale leger in Nederlands-Indië. Hij arriveerde daar in 1836 en diende vooral in Midden- en Zuid-Sumatra. Daar annexeerde het koloniale bewind steeds meer gebied. In februari 1859 kwam de vuurpoef voor Waleson. Hij moest toen de gewonde commandant van de expeditie tegen de vorst van Bone, Zuid-Sulawesi, vervangen. Waleson veroverde na twee weken de hofstad Bone, stak die in brand, maar trok zich daarna weer terug naar de kust. Daar smolten zijn troepen weg door tropische ziekten. Na twee maanden moest hij de aftocht blazen. Deze mislukking knakte zijn carrière. Misschien daarom zond Waleson jr. nauwelijks objecten uit Bone naar Den Bosch, maar des te meer uit Sumatra, en dan vooral uit de Bataklanden. Een ‘toverstaf’ van de Batak is het pronkstuk van de collectie. Op de website van het museum kun je de collectie bekijken: www.hetnoordbrabantsmuseum.nl/ontdek/collectie/waleson

Hof van Zevenbergen 


Familie van Bree

De van oorsprong Bossche koopliedenfamilie Van Bree ontvluchtte tijdens de Tachtigjarige Oorlog de stad. Maar rond 1645 wilden de broers Willem (?-1683) en Dirck (doopnaam Theodorus >1620-?) terug naar het oude nest. Het protestante Bossche gemeentebestuur nam de twee rooms-katholieke ondernemers na rijp beraad weer in genade als poorters aan. Willem van Bree mocht van het gemeentebestuur in 1656 een glasfabriek beginnen aan de Orthensestraat, op de plaats waar later het gele monster van De Gruyter zou verrijzen. Broer Dirck was van huis uit wijnkoper. In 1656 had hij huis De Engel op de Markt (nu nr. 63-65) gekocht. Daar begon hij in 1671 een suikerraffinaderij. Dat huis kreeg al snel de bijnaam ‘Het Suikerhuis’. Zijn zoon Willem (1656-?) zette de suikerraffinaderij voort na het overlijden van zijn vader. Samen met zijn broer Rutgerus (1659-?) begon hij bovendien een bankbedrijf. Hoe lucratief de suikerhandel was bleek wel uit het feit dat de beide broers in 1693 een deel van het Hof van Zevenbergen konden kopen. Dit stadspaleis was eind 15e eeuw gebouwd in opdracht van Cornelis van Glymes, heer van Zevenbergen. De broers vergrootten en verbouwden hun deel tot een van de meest luxe huizen van de stad. In 1778 verkocht de familie het huis en werd het rooms-katholieke armenweeshuis hierin gevestigd. Het Suikerhuis aan de Markt was al in 1773 verkocht. De Van Lanschots zouden de raffinaderij nog tot 1799 voortzetten.

Portret Joseph Dobbe en krantenbericht over zijn verwoeste kerk, 1900


Joseph Dobbe (1864-1900)

In de 19e eeuw was het ooit zo machtige Chinese keizerrijk in verval. Westerse koloniale mogendheden zetten hun tanden erin, maar China was veel te groot en nog te machtig om simpelweg te annexeren en te koloniseren zoals andere gebieden. Maar koloniale mogendheden dwongen China wel met militair geweld tot zeer nadelige handelscontracten en het openstellen van havens, zoals Shanghai. In China noemt men de periode die in 1839 begon met de Eerste Opiumoorlog en duurde tot 1945 dan ook ‘De eeuw van vernedering’. In de Chinese nationalistische optiek was de komst van Europese missionarissen in de 19e eeuw ook zo’n vernedering van de eigen boeddhistische of islamitische cultuur. In 1899 kwamen nationalistische Chinezen, bijnaam Boksers, met steun van het Chinese hof in opstand tegen de westerse imperialisten. Kerken en missionarissen, symbolen van de westerse cultuur, waren een belangrijk doelwit van de Boksers. Zo kwam de Bossche missionaris, Joseph Dobbe, terecht in het oog van de storm.

Joseph Dobbe werd geboren aan de Orthenstraat in ’s-Hertogenbosch (het huis is afgebroken) en opgeleid tot priester aan het seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. In 1889 trad hij toe tot de ‘Scheutisten’, een missiecongregatie die in 1862 was opgericht door Theophile Verbist in Scheut, bij Brussel. Het eerste missiegebied was China. In 1865 vertrok een eerste groep ‘Scheutisten’ naar Binnen-Mongolië, een onherbergzaam, overwegend islamitische gebied in noord-China. In 1889 vertrok ook Joseph Dobbe naar Binnen-Mongolië. De opstand van de Boksers maakte een einde aan het bisdom-in-wording met 30 missieposten en 52 scholen. Duizenden Chinese bekeerlingen werden gedood. Ook bisschop Ferdinand Hamer (1840-1900) en Joseph Dobbe werden vermoord. Op 22 oktober 1900 werd de kerk waarin Dobbe zich met 300 parochianen had verschanst in brand gestoken.

Ter nagedachtenis aan Dobbe werd in 1903 en monument geplaatst in de Sint-Pieter, Dobbe’s parochiekerk. Toen deze kerk werd gesloopt kreeg het Dobbe-monument een plaats in de Sint Catharina kerk, die nu in gebruik is als Armeense Apostolische Kerk.

Collectebusje voor de missie van de zusters JMJ 


Congregatie Jezus, Maria en Josef (JMJ)

De congregatie van de Zusters van Jezus, Maria en Jozef (JMJ) werd in 1822 opgezet in Amersfoort door de jezuïet Mathias Wolff (zie de Koloniale wandeling Amersfoort). Vanaf 1871 vestigde deze congregatie zich in ’s-Hertogenbosch, eerst aan de Postelstraat, en vanaf 1897 fungeerde het imposante klooster Mariënburg als moederhuis. De zichtbare groei van het katholieke religieuze leven was het gevolg van de emancipatie van katholiek Nederland na de Franse tijd. Rooms-katholieken, het leeuwendeel van de bevolking in Brabant en Limburg, waren voortaan voor de wet gelijk aan protestanten. Zij kregen wel te maken met discriminatie en moesten op politiek, economisch en maatschappelijk terrein een forse inhaalslag maken. De Zusters van JMJ droeg daar heel actief aan bij. Zij legden zich vooral toe op het onderwijs aan rooms-katholieke meisjes en jonge vrouwen. In 1904 telde de congregatie 1400 nonnen en gaf ze les aan 27.316 meisjes.

Sinds 1898 missioneerde de orde ook in Nederlands-Indië. Het missiegebied was Tomohon in Noord-Sulawesi. Gestaag breidde de missie zich uit met een eigen ziekenhuis en scholen in andere plaatsen op Sulawesi (Menado en Makassar). In 1933 begonnen de Zusters van JMJ ook aan hun missiewerk op Java (Sukabumi). Het Nederlandse koloniaal bestuur hield het missiewerk in de kolonie scherp in de gaten. De Indonesische bevolking was overwegend moslim. Zij kon het missiewerk als een aanslag op haar religie en cultuur ervaren. De Zusters JMJ missioneerden vanaf 1904 ook in de kolonie Brits-Indië/sinds 1947 India.

Sommige hedendaagse historici zien missie en zending als ondernemingen die de superioriteit van de Europese religie en beschaving in de kolonie moesten onderstrepen en in Nederland onderdeel waren van de koloniale cultuur die het kolonialisme moest stutten. Maar anno 2025 zijn de rollen omgekeerd. In 1962 werd de congregatie al gesplitst in drie zelfstandige afdelingen: Nederland, Indonesië en India. In 2016 zijn de congregaties in Indonesië en India zelfstandig geworden. De orde in Indonesië telde toen 213 zusters en 54 huizen; in India 680 zusters en 94 huizen. Mariënburg werd in 2015 verkocht. De laatste zusters zijn vertrokken. Nederland is tegenwoordig een missiegebied.

Henk Sneevliet (middenvoor) en leden Indische Sociaal Democratische Vereniging, 1917  


Henk Sneevliet (1883-1942)

Henk Sneevliet werd geboren in Rotterdam maar groeide vanaf zijn derde jaar op in ’s-Hertogenbosch. De arbeiderswoningen aan de Kanaalstraat en Zuidwal waarin het gezin Sneevliet woonde, zijn inmiddels gesloopt. De toen gloednieuwe Hogere Burger School (HBS) waar hij zijn middelbare schoolopleiding kreeg, staat nog wel overeind. Dat hij als zoon van een gevangenisbewaarder naar die ‘dure’ middelbare school kon, dankte hij aan de Loge van de Vrijmetselarij in ’s-Hertogenbosch. Dit liberale gezelschap had in 1876 een fonds opgericht om slimme maar kansarme potentiële leerlingen voor de HBS financieel te ondersteunen. Sneevliet verliet de HBS als beste van zijn klas, al kreeg hij toen al vanwege zijn opstandigheid het stempel ‘rotte appel’ opgeplakt. Voor verdere studie was geen geld. Hij vertrok in 1900 als 17-jarige uit ’s-Hertogenbosch en kreeg een opleiding tot commies bij de spoorwegen. In 1902 werd Sneevliet zowel lid van de vakbond voor treinpersoneel als van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Hij klom in korte tijd op als vakbondsbestuurder en politicus. Aan zijn opmars kwam in 1912 een abrupt einde door een conflict met de SDAP over een havenstaking.

Sneevliet was voorlopig politiek uitgerangeerd in Nederland en zocht zijn heil in Nederlands-Indië. Ook daar groeide hij binnen de kortste keren uit tot een belangrijke vakbonds- en politiek leider. In een paar jaar organiseerde hij een moderne vakbond voor het spoorwegpersoneel met vooral Indonesische leden. In 1914 was hij medeoprichter van de Indische Sociaal-Democratische Vereniging (ISDV), die al snel aanhang kreeg onder Indonesiërs die een revolutionaire omwenteling in koloniaal Indonesië nastreefden. Voor Sneevliet was de Russische revolutie in 1917 een inspiratiebron om ook de ‘Indonesische massa’s’ in beweging te krijgen. Toen eind 1918 organisaties voor soldaten en matrozen op Java de straat op gingen, greep de gouverneur-generaal in. Hij zette Sneevliet de kolonie uit. Zijn kameraden zouden de ISDV omvormen tot de Communistische Partij Indonesië (PKI). Deze partij streefde een onafhankelijk Indonesië na. Deze partij zou veel invloed hebben op de politiek in Indonesië, totdat het Indonesische leger in 1966 in een bloedbad afrekende met de communisten.

Sneevliet meldde zich in 1920 als vertegenwoordiger van de PKI bij de Communistische Internationale in Moskou. Vandaar werd hij naar China gestuurd om de communistische organisatie op poten te zetten. De Chinese communisten hadden Sneevliet echter niet nodig. In 1924 keerde hij gedesillusioneerd terug naar Nederland. Hij bleef politiek actief in kleine linkse splinterpartijen in Nederland. Zijn contacten met zijn oude vrienden van de PKI bleven in Nederland beperkt. Maar hij organiseerde wel steun voor communistische Indonesiërs die in de jaren 1930 in Boven-Digul (Nieuw-Guinea) werden geïnterneerd door het koloniale bewind. Ook het marinepersoneel dat in 1933 in de Indonesische archipel in opstand kwam op het marineschip De Zeven Provinciën kon op zijn steun rekenen. Hij werd daarvoor veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Bij de Duitse inval in 1940 dook hij direct onder. Maar hij werd opgepakt en in april 1942 door de nazi’s geëxecuteerd.

Gevelsteen De Drie Mollen 


De drie mollen

In 1818 nam Johannes Antonius Sweens (1793-1872) het huis De Drie Mollen (oorspronkelijk De Drije Mollen) in gebruik als winkel in koffie, thee en andere koloniale waren. Het naastgelegen huis (Den Boerendans) werd zijn woonhuis. Achter deze huizen was de koffiebranderij die helemaal doorliep tot de Zuid-Willemsvaart. Johannes Sweens had een aardje naar zijn vaartje. Deze Gerardus Laurentius Sweens (1756-1821) was al in 1797 in het pand ‘De Palmboom’, Hinthamerstraat 212, een koffiebranderij begonnen, de eerste van ’s-Hertogenbosch. Onder de firmanaam ‘De Drie Mollen’ zouden de beide koffiebranderijen in de negentiende eeuw floreren. De familie Sweens kon – zoals het fortuinlijke families betaamde – in 1883-1884 zelfs het buitenhuis de Vijverberg in Rosmalen laten bouwen. In 1902 werden winkel en woonhuis aan de Hinthamerstraat ingrijpend verbouwd en voorzien van een gezamenlijke nieuwe voorgevel. De Drie Mollen bleef in handen van de familie Sweens tot in de jaren 1980. De Drie Mollen was toen ook de laatste koffiebranderij die nog actief was in de binnenstad. In 1987 verkocht de weduwe Mia Sweens-Schute de branderij. Het bedrijf groeide verder uit tot een grote, internationale koffiebrander, die sinds 2012 onder de naam United Coffee Company in Japanse handen is.

Cory van Dam-Slager, Vruchtenstilleven met pahjong, 1925 (Museum Slager)


Museum Slager

Dit museum voor realistische kunst is gewijd aan het werk van de schildersfamilie Slager. Stamvader is de Bossche kunstschilder Petrus Marinus Slager (1841-1912). Hij trouwde met Catharine Marina Uijttenboogaardt (1851-1916) en kreeg met haar tien kinderen. Het was sappelen in het kunstenaarsgezin. Vier van zijn kinderen erfden zijn schilderstalent. De jongste dochter Corry (1883-1927) opgeleid door haar vader en broers, specialiseerde zich in bloemenstillevens in aquarel en werd in 1911 toegelaten tot de Haagse Kunstkring. In 1916 vertrok ze, pasgehuwd, met Louis van Dam naar de kolonie Nederlands-Indië. Ze had een goede start in Batavia waar ze haar werk kon exposeren en verkopen. Daarna werd het lastiger. Zij kreeg in 1918 een dochter, haar man Louis was als ingenieur bij de spoorwegen veel op pad en er volgden verhuizingen naar Surabaya en daarna Semarang. Al met al bleef er niet veel tijd en inspiratie voor het schilderen over.  Helemaal stil viel ze echter niet gezien de schilderijen die in het museum te zien zijn. In 1926, het stel woonde inmiddels in Salatiga, werd ze ziek. In 1927 overleed ze.

Helemaal zonder familie was Corry overigens niet in de kolonie, zo zien we ook op foto’s in het museum. Al in 1915 was haar oudere broer Hein (1878-1947) met zijn vrouw naar Nederlands-Indië vertrokken. Hij werkte als ambtenaar bij de telefoondienst. Diens zoon Tom (1918-1994) werd geboren te Weltevreden, vertrok in 1929 uit de kolonie, en zou net als zijn grootvader, ooms en tantes kunstschilder worden.

Zusters PMY Indonesië, 2025 (PMY Indonesia)


Dochters van Maria en Joseph/Zusters van de Choorstraat

In de 19e en 20e eeuw waren in ’s-Hertogenbosch zo’n elf congregaties van vrouwelijke religieuzen actief. De enige congregatie die in ‘s-Hertogenbosch zelf werd opgericht was die van de Dochters van Maria en Joseph (DMJ) aan de Choorstraat in 1820. Ook het moederhuis van deze kloosterorde bleef steeds gevestigd in Den Bosch. Van 1820-1940 breidde het klooster aan de Choorstraat en elders in Brabant zich gestaag uit. De DMJ hield zich naast zieken-, armen- en ouderenzorg vooral bezig met de opvoeding en het onderwijs van arme katholieke meisjes en wezen en met het onderwijs in internaatsverband voor doofstomme en zwakbegaafde meisjes.

Sinds 1906 trokken de Zusters DMJ naar missiegebieden: naar Brazilië (1906-1911), Oost-Mongolië (1921-1948), Congo (1959-1999) en naar Nederlands-Indië. In 1938 tilden vijf zusters DMJ een doveninstituut (Dena Upakara) van de grond in Wonosobo (Midden-Java). Er moest direct gezocht worden naar een groter gebouw want er meldden zich 12.000 leerlingen. Voor 100 meisjes was er plaats bij de DMJ in Wonosobo. In de oorlogsjaren 1942-1950 zetten de zusters hun werk zo goed mogelijk voort, maar internering, onteigening en militaire inwoning maakten dit erg moeilijk. In 1950 bliezen vijf Nederlandse zusters het instituut in Wonosobo nieuw leven in. Maar de Kongregasi Puteri Maria dan Joseph (PMY) zoals de congregatie in Indonesië heette, werd pas toekomstbestendig toen vanaf 1962 Indonesische zusters intraden. Terwijl in Nederland vanaf de jaren 1960 de DMJ slonk, groeide de PMY in Indonesië. Het aantal Indonesische zusters en vestingen in Indonesië nam gestaag toe: van Jakarta tot Oost-Timor. In 1994 vertrok de laatste Nederlandse zuster uit Indonesië. Tegelijkertijd verzelfstandigde de Indonesische afdeling en indonesianiseerde de congregatie. Wat begon als een koloniaal project bleek uiteindelijk dus de levensader voor de DMJ. Sinds 2023 zetelt het algemeen bestuur van de orde in Sedayu, Oost-Java. Dat bestuur bestaat inmiddels geheel uit Indonesische zusters, onder leiding van de Indonesische overste Theresianne Trisnawati. In Sedayu is nu ook het moederhuis van de PMY te vinden. Het moederhuis van de uitstervende Nederlandse tak van DMJ is gevestigd in een nieuw klooster aan de Papenhulst 5. Van het oude klooster aan de Choorstraat bleef alleen de gevel staan.

Grafmonument Peerke Donders, Paramaribo 


Petrus Norbertus (‘Peerke’) Donders (1809-1887)

Peerke Donders werd geboren in Tilburg, in een arm gezin van een thuiswever. In die stad wordt hij vereerd met een replica van zijn geboortehuis, een kapel, een museum en een (inmiddels overigens omstreden) standbeeld. Maar ook in de Sint-Jan Kathedraal heeft hij in 1991 een beeld gekregen, 150 jaar nadat hij in 1841 in ’s-Hertogenbosch tot priester werd gewijd. Al voor die priesterwijding had hij zich gemeld voor de missie in Suriname.

Suriname was van 1667 tot 1975 een Nederlandse kolonie. Het was voor Nederland lang een goudmijn. Sinds eind 17e eeuw werden aan de grote rivieren plantages aangelegd waar producten werden verbouwd voor de Europese markt: eerst suiker, maar allengs ook koffie, cacao en katoen. Eigenaren van deze plantages waren Nederlanders en andere Europeanen. Het eigenlijke werk op de plantages werd verzet door in slavernij gevoerde Afrikanen. In totaal brachten Nederlandse mensenhandelaars van midden 17e tot begin 19e eeuw ruim 200.000 tot slaafgemaakte Afrikanen naar Suriname. Pas in 1863 werd de slavernij afgeschaft.

De rooms-katholieke missie waarvoor Donders zich meldde, concurreerde in Suriname met de Evangelische Broedergemeente (Hernhutters). Deze missioneerde al sinds 1735 met succes onder de slaafgemaakten in de hoofdstad Paramaribo. Maar op de plantages waren zij, noch de katholieke missionarissen, voor 1835 welkom uit angst dat zij de opstandigheid onder de slaafgemaakten zouden aanwakkeren. De katholieke missie kreeg wel eerder de kans om een missiepost op te zetten in de melaatsenkolonie ‘Batavia’. In 1824 had het koloniale bestuur op het terrein van een oude cacaoplantage aan de Coppename, ver verwijderd van Paramaribo, een leprozerie gesticht. Men wist toen nog niet wat de oorzaak was van lepra (melaatsheid), maar wel dat het een besmettelijke ziekte was. Slaveneigenaren waren dan ook verplicht hun besmette slaafgemaakten naar de leprozerie te sturen. De zielzorg voor de lepralijders vertrouwde de katholieke directeur van Batavia in 1830 toe aan zijn katholieke geloofsgenoten. In 1853 leefden er 453 melaatsen in Batavia.

Drie jaar later, in 1856, arriveerde Donders in Batavia. Daarvoor had hij als kapelaan in Paramaribo gewerkt en bekeringswerk verricht op de plantages langs de Surinamerivier en de Commewijne die in bezit waren van katholieke eigenaren. Donders zou van 1856 tot 1882 en opnieuw van 1885 tot 1887 als zielzorger in Batavia werken. Donders werd en wordt geprezen om zijn toewijding aan deze mensen in de marge van de koloniale samenleving. Vanuit Batavia bezocht Donders ook plantages langs de Saramaccarivier en probeerde hij contact te leggen met de oorspronkelijke bevolking (‘indianen’ in koloniaal jargon) en met marrons. Dat waren gevluchte slaafgemaakten die diep in het oerwoud onafhankelijke gemeenschappen hadden gevormd. Maar de marrons noch de oorspronkelijke bevolking lieten zich door hem bekeren.

Donders stierf in Batavia maar werd in 1900 herbegraven in de Sint Petrus en Paulus kerk (nu kathedraal) in Paramaribo. In 1921 kreeg hij daar ook een grafmonument. Tezelfdertijd ontstond er ook in Tilburg een Donderscultuur. Die leefde, na een dip in de jaren 1960, weer op toen hij in 1982 zalig werd verklaard. Dat gebeurde overigens niet toevallig 250 jaar na de oprichting van de congregatie van de Redemptoristen, de orde waartoe Donders behoorde. Tegenwoordig kijken sommige historici onder invloed van het slavernij-debat weer anders naar de bekeringsdrift van Donders en missie en zending in het algemeen. Zij stellen dat missie en zending niet alleen het koloniale project legitimeerden maar ook getuigden van christelijk en Europees superioriteitsdenken en leidden tot de vernietiging van overgeleverde Afrikaanse cultuurelementen.


Houtman Sigarenfabriek

Christiaan Houtman (1816-1876) begon in 1848 een sigarenfabriek in de Torenstraat en een sigarenwinkel op de hoek van de Torenstraat/Hinthamerstraat. Hij produceerde klaarblijkelijk uitstekende sigaren want hij won er op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1867 een prijs voor. Wie goed kijkt ziet boven de winkelpui nog het zaagdak van de fabriek uitsteken. Zoon Theodorus A.J. Houtman (1848-1894) zette de fabriek voort aan de Handelskade en introduceerde het merk La Paz. Hij werd in 1892 weer opgevolgd door zijn zoon Christiaan T.M. Houtman (1876-1944). Op het hoogtepunt bood de fabriek werk aan zo’n 115 mensen. In 1928 was het afgelopen. De zaak werd verkocht aan de concurrent: Sjefke van Susante (Elisabeth Bas) uit Boxtel.

Beeld mgr. Wulfingh uit 1909, stond in de leprozerie, nu bij de mgr. Wulfinghschool, Paramaribo 


Wilhelmus Antonius Ferdinandus Wulfingh (1839-1906)

Toen de rooms-katholieke kerk voet aan de grond kreeg in Suriname zette zij ook geleidelijk de kerkorganisatie op poten. Vanaf 1842 was Suriname een vicariaat, een bisdom-in-wording, pas in 1958 een ‘echt’ bisdom. Wilhelmus Wulfingh werd in 1889 benoemd tot apostolisch vicarus in Suriname. Omdat hij tegelijk benoemd werd tot titulair bisschop van Cambysopolis, droeg hij na zijn bisschopswijding in de Sint-Jan de bisschopstitel.

Wulfingh stamde uit een goed katholiek gezin. Vijf kinderen kozen voor het kloosterleven. Hij en zijn broer traden toe tot de orde der Redemptoristen. Aan deze orde had ‘Rome’ in 1865 de zorg voor de missie in Suriname opgedragen. Wulfingh hield zich na zijn priesterwijding in 1867 eerst bezig met de opleiding van missionarissen. In 1888 werd hij zelf als missionaris naar Suriname gestuurd. Al een jaar later werd hij benoemd tot apostolisch-vicaris. Wulfingh zette het werk van Peerke Donders op een andere voet voort. In 1897 werd de leprozerie Batavia gesloten. Wulfingh was in 1895 dicht bij Paramaribo (Sommeldijcksekreek) een nieuwe leprozerie gestart, de Sint Gerardus Majella Stichting. De leprazorg was inmiddels verzuild en dus waren in ‘Majella’ alleen katholieken welkom. Voor de zorg aan de leprozen vroeg en kreeg Wulfingh de steun van de Zusters van Tilburg. Wulfingh stimuleerde ook het katholieke onderwijs in Suriname. Daarvoor kreeg hij desgevraagd steun van de fraters van Tilburg. Waarom Wulfingh voor de lepra- en onderwijszorg niet aanklopte bij een Bossche orde is onbekend. Naast de leprozerie en het onderwijs had Wulfingh veel aandacht voor het missiewerk: hij opende nieuwe kerken in West-Suriname en Paramaribo. Wegens ziekte moest Wulfingh in 1905 naar Nederland. Hij stierf in 1906 op de terugweg naar zijn missiegebied. Hij is in Paramaribo begraven.

Hansken, tekening Rembrandt 


Hansken

Op 11 juli 1647 vertoonde de Aziatische olifant Hansken haar kunsten voor het hoog geëerd publiek, waarschijnlijk hier op de Markt. Aangenomen wordt dat Hansken deel uitmaakte van een rondreizend circus. Die deden de stad aan bij de verschillende jaarmarkten die in de stad werden gehouden.

Hansken was in 1630 geboren op Sri Lanka. De vorst van Kandy op dat eiland had haar geschonken aan de hoogste baas van de VOC in Batavia (nu Jakarta). En die had het dier  doorgestuurd naar Nederland, samen met een kasuaris, hert en luipaard. Ze waren bedoeld voor de menagerie van stadhouder Frederik Hendrik. Alleen het luipaard en Hansken overleefden de reis.

Frederik Hendrik stelde de dieren (tegen betaling) ten toon op zijn buitenverblijf, Huis ter Nieuburg in Rijswijk. Toen hij de olifant zat werd, gaf hij haar weg en via via kwam zij terecht bij Cornelis Groenevelt, een oud-ritmeester. Die trok met Hansken door heel Europa en liet haar tegen betaling allerlei kunstjes doen. Het zwaaien met een zwaard in haar slurf was haar specialiteit. Het publiek was zeer geïnteresseerd in deze exotische dieren. Het liet een glimp zien van die vreemde en beangstigende wereld overzee. En de dompteur verdiende zo een mooie grijpstuiver.

Hansken overleed al in 1655. Het dieet van brood met water en soms brandewijn waarop ze leefde deed haar zeker geen goed, maar de ware doodsoorzaak was een ontstoken teennagel. Het skelet van Hansken is nog te zien in natuurhistorisch museum La Specola in Florence. Hoe zij was bij leven heeft Rembrandt vastgelegd in enkele tekeningen die hij in 1637 van het dier maakte bij haar bezoek aan Amsterdam.

Bronnen

Heleen Bakker, Breuken en continuïteit in het leven van Nellie van Kol (1851-1930), Groningen 2010.
H.D. Benjamins en J.F. Snelleman, Encyclopedie van Nederlandsch West-Indië, Den Haag 1914-1917.
F.A.C.M. Bergman, ‘Nijverheid of diensten’, Bossche bladen (1993-1) 15-17.
Arno van den Brand, ‘Sneevliet herzien. Sneevliet, Kanaalstraat, Van der Lubbe’, Bossche Kringen, 7-5/6 (nov 2020).
Arno van den Brand, ‘Sneevliet en het Kortewegfonds, Bossche Kringen 8-2 (maart 2021) 59-67.
Dorothée Buur, ‘Het ‘Indische’ element in de Nederlandse jeugdliteratuur’, Indische letteren 1-4 (1986) 173-192.
A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum 2015.
Karwan Fatah-Black en Gert Oostindie, Van Lanschot Kempen Onderzoek naar het slavernijverleden, s.l. 2022.
Zr. Veronie Franken, De geschiedenis van Indonesië (Kongregasi Putri Maria dan Yosef) van 1839 tot 2020, 4 dln; De Heeriaan, 2020-2.
Michiel Groten, ‘Difference between the self and the heathen. European imperial culture in Dutch missionary exhibitions, 1909–1957’, The Journal of Imperial and Commonwealth History 47 (2018) 490-513.
Michiel Groten, ‘Een koloniale cultuur langs de Zaan’, Tijdschrift voor Geschiedenis (2019) 375-397.
Hansken – De beroemdste olifant van de 17e eeuw, Historiek april 2023.
Henk den Heijer, Nederlands slavernijverleden. Historische inzichten en het debat nu, Zutphen 2021.
Harry Knipschild, Soldaten van God. Nederlandse en Belgische missionarissen op missie in China in de negentiende eeuw, Amsterdam 2007.
Els Kloek red, nr. 785, ‘Nellie van Kol’, 1001 vrouwen, Nijmegen 2013.
Jac. J. Luyckx, ‘Uniek buiten in Rosmalens Rosmalens dorpscentrum’, Bossche bladen 2000-1.
‘Mgr. W.A.F. Wulfingh, C.S.S.R.’, Nieuwe Belgische illustratie jrg 11 1894, 305-306.
J.H. Reisig, De suikerraffinadeur (Dordrecht 1793).
Martijn Stoutjesdijk, ‘”In openlijken strijd met den geest des Christendoms”? De kerk in het Nederlandse slavernijverleden”, in: Rose Mary Allen e.a., red., Staat & slavernij. Het Nederlandse slavernijverleden en zijn doorwerkingen (Amsterdam 2023) 381-392.
Matthias van Rossum, Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC, Hilversum 2015.
Bart van der Steen, ‘Henk Sneevliet – Nederlander aan het roer van de Chinese revolutie. In Nederland bijna volledig vergeten, maar in China wereldberoemd’, Historiek 2024.
Fritjof Tichelman, ‘Sneevliet, Hendricus Josephus Franciscus Marie, Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, Amsterdam 1986.
Maartje Timmermans, De museale reis van de de collectie Waleson: herkomstonderzoek van de collectie Waleson, Utrecht 2024.
Uit het archief: Corry’s brieven uit Nederlands-Indië Nieuwsbrief Museum Slager april 2023.
Ton Vogel, Geschiedenis van de Congregatie van de Zusters van Liefde, Bossche Kringen, (jrg 5-4) sept 2018 tot en met (jrg 7-3) mei 2020.
Ton Wassink, ‘Nobel initiatief in steen verankerd. Silva (2024-3) 26-37.
www.goulmyenbaar.nl
www.bosscheencyclopedie.nl: H.J.F.M. (Henk) Sneevliet (1883-1942) (Henny Molhuysen 1987); Joseph Dobbe (1864-1900) (Ton Vogel 2014); Sociëteit van JMJ, Zusters van Jezus, Maria en Jozef, 2 dln 2015 (Ton Vogel); Hinthamerstraat 190, De drije swarte mollen (Ed Hupkens, Henny Molhuysen ); Hinthamerstraat 181: Ferdinandus Wulfingh (1839-1906) Vader der melaatschen in Suriname (Ed Hupkens/ Henny Molhuysen); ‘Hanske, Rembrandts olifant’ in ’s-Hertogenbosch (Aart Vos); Museum Slager. https://www.erfgoedshertogenbosch.nl/verhalen/sigarenmakers; de-bossche-haven; markten in ‘s Hertogenbosch tussen 1200 en 1800 (Ton Kappelhof); Hansken, de eerste olifant in ‘s-Hertogenbosch.
https://www.brabantserfgoed.nl/page/11618/jozef-dobbe
https://www.brabantserfgoed.nl/page/4561/museum-slager
https://www.brabantserfgoed.nl/page/16717/hans-petermeijer/biografie Nellie van Kol
https://www.brabantserfgoed.nl/page/12483/de-collectie-waleson-in-het-noordbrabants-museum, Caroline Drieënhuizen 5 okt 2020.
https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/fellowships/handel-in-koloniale-waren-en-s-hertogenbosch-als-doorvoerhaven
ww.resources.huygens.knaw.nl/repertoriumzendingmissie/gids/organisatie/3442793358
www.kliknieuwsdenbosch.nl/nieuws/historie/201905/begraafplaats-orthen-familiegraf-sweens
https://www.congregatiedmj.nl/geschiedenis/
www.wikipedia/peerkedonders
https://werkgroepcaraibischeletteren.nl/peerke-en-het-verdeelde-verleden/ (Herman Fitters 6-6-2020).