KOLONIALE WANDELING BERGEN OP ZOOM

Slavenhouders en beklagenswaardige kinderen

Zijn er wel mensen uit Meppel werkzaam geweest in de koloniën of handelaren die koloniale producten aan de man brachten? Het was een zoektocht, maar ze zijn er wel. Een van de families die grossierde in koloniale waren en rondbracht om en rond Meppel is de familie Houwink. Het familiebedrijf handelde in koloniale waren al hadden leden van de familie ook andere interesses zoals Roelof Houwink die zich liever bezighield pluimveehouderij en erfelijkheidsleer. Toch heeft Meppel een predikant in dienst van de VOC geleverd en een procureur generaal bij het Hof van Justitie in Paramaribo. De wandeling voert langs de bouwval waar de chirurgijn Kiers woonde, rijk geworden in de Oost. De schrijfster Fenna Feenstra Kuiper, geboren in Meppel, woonde afwisselend in Nederlands- Indië en Nederland.

Lengte wandeling:
12,5 km
Start- en eindpunt:
Station Bergen op Zoom
Parkeerplaats:
Station Bergen op Zoom

Horeca:
Diverse in de stad

Ook geschikt voor andere GPX apparaten

De route

  1. Met je rug naar het station, eerst even naar rechts en dan linksaf de Stationweg inlopen naar de Oude Stationweg. De Bredase straat oversteken, je komt dan in de Williamstraat. Sla de tweede straat rechts in, de van der Rijtstraat. Loop door tot de eerste straat links, het Singeltje, en loop het Singeltje in tot aan de Korenmarkt. Loop over de Korenmarkt tot de Blauwehandsstraat, loop deze straat in..
  1. Loop door de kleine Kerkstraat naar de Geweldigerstraat. Hier stond vroeger de St Magaretha kapel. Het gebouw huisvestte na de Reformatie de Waalse kerk, daar werd Salomon duPlessis (1705-1785), telg uit een naar Nederland gevluchte Hugenoten familie in 1705 gedoopt. In 1829 werd de Waalse kerk opgeheven en trokken de lutheranen erin. Het gebouw deed tot 1935 dienst als Lutherse kerk. Toen werd de kerk afgebroken. Zijn dochter Maria Susanna werd in Suriname geboren en van haar is bekend dat ze zeer wreed was voor slaafgemaakten.
  1. Loop de Geweldigerstraat verder in. Hier was vóór 1783 de provoostgeweldiger gevestigd. De Provoostgeweldiger kun je vergelijken met de huidige Marechaussee. Op Potterstraat 36 staat de voormalige ambtswoning van de provoost ,na 1783 gebouwd. Loop door naar het Markiezenhof, het lokale museum van Bergen op Zoom. Je bent nu op het Catharina plein, schuin oversteken, dan linksaf de Hofstraat inlopen. Je ziet direct de poort die toegang geeft tot het Markiezenhof.
  1. Loop na bezoek aan het museum terug naar de Geweldigerstraat en sla rechts de Nieuwstraat in,die uitkomt op de Engelsestraat. Hier rechtsaf en loop door tot de Kremerstraat. De tweede straat links is de Zuivelstraat. Aan deze straat , op nummer 35, was het logement het Hof van Holland gelegen waar Stedman (1744-17970) woonde in 1778, met Quaco, zijn persoonlijke zwarte lijfknecht.
  1. Loop vervolgens via de Lombardenstraat en dan rechtsaf naar de Sint Gertrudiskerk, oorspronkelijk een Katholieke Kerk, maar in 1586 geannexeerd door de Hervormden. In 1960 werd de kerk weer teruggegeven aan de plaatselijke Katholieke parochie. De kerk wordt door zijn toren ook wel de Peperbus genoemd. In deze kerk werd in 1755, Van Overstraten (1755-1801), gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, (1797-1801) gedoopt.

Voormalig café Het Molentje van Jan Menkenveld

  1. Loop via het Zuivelplein, tweemaal rechtsaf naar de Grote Markt. Op Grote Markt nummer 2 (rechts) had de slavenhandelaar Jan Menkenveld (1712-1784) een café, het Molentje geheten. Hij was hier na een woest en corrupt leven in de Oost neergestreken.

Voormalig Café Het Pumke van Bertha Hertogh en haar man

  1. Loop nog steeds op de Grote Markt, links voorbij het stadhuis naar de Fortuinstraat en verder rechtdoor naar de Steenbergsestraat. Op nummer 3 van de Steenbergsestraat beheerden Bertha Hertogh (1937-2009), geboren in Tjimahi op het eiland Java en haar man destijds café-pension, Het Pumpke. Lees haar onwaarschijnlijke levensverhaal hoe zij in Bergen op Zoom terecht is gekomen..
  1. Loop vervolgens terug tot aan de Moerengrebstraat. Sla deze straat in en loop door tot de tweede straat aan je linkerhand, het Cromhout. Sla rechtsaf en loop door naar de Gevangenpoort. Steek de Singel over en loop de Rijkebuurtstraat in. Hier sleet de al eerder genoemde slaven/annex caféhouder Jan Menkenveld (1712-1784) zijn oude dag.
  1. De Rijkebuurtstraat gaat over in de Zuidzijde haven die langs de oude Binnen haven (aan je rechter hand)) voert. Sla linksaf Spirituslaan, houd rechts aan voorbij de opgeknapte schoorsteen, loop steeds rechtdoor, steek de Konijnenbrugweg over en via het Havenplein naar fort Waterschans. Loop links langs het fort met rechts de Oude Buitenhaven naar de Noordlandseweg. Je komt uit op de Molenplaat, een prachtig wandelgebied.
  1. Loop bij het begin van het wandelgebied, linksaf het asfaltpad op. Dat voert langs de kanovereniging. Sla het eerste pad rechts in bij wandelknooppunt nummer 11 dat naar nummer 10 voert. Loop over een bruggetje en volg de wandelknooppunten 15, 29 en 28. Je loopt langs de Binnenschelde. Aangekomen bij wandelknooppunt 28, steek je links over naar het Schaarpad.
  1. Loop door tot de Paulus Buijslaan en sla hier rechtsaf. Loop verder en sla linksaf naar het Benedenbaantje. Sla vervolgens links af en loop de Augustalaan in, loop de trap af en sla vervolgens rechtsaf. Loop aan het eind van de Augustalaan links met de bocht mee, Stalenburgstraat. Aan het eind links de Antwerpsestraat oversteken en links je weg vervolgen.
  1. Neem de eerste straat rechts, de Pater Dehonstraat, loop rechtdoor het Paterbos . Aan het eind van het bosje rechtsaf slaan, de Erasmuslaan. Blijf rechtdoor lopen tot de Jacob Obrechtlaan, hier linksaf slaan en vervolgens rechtsaf naar het station. Eindpunt van deze wandeling.

Plantages Nijd en Spijt in Suriname


Salomon du Plessis (1705-1785)

Salomon du Plessis werd geboren in Bergen op Zoom en gedoopt in de toenmalige Waalse kerk aan de Geweldigerstraat. Hij behoorde tot een Hugenotenfamilie afkomstig uit Dieppe in Frankrijk. Zijn vader, Michel du Plessis (1660- 1740) was lector en koster in de Waalse kerk in Oostburg en leraar Frans in Bergen op Zoom. Salomon du Plessis studeerde rechten en vertrok in1734 naar Suriname als advocaat in dienst van de West-Indische Compagnie. Het legde hem geen windeieren. In 1737 kocht hij een plantage in Suriname die hij naar zijn geboortestad Bergen op Zoom noemde. Vier jaar na zijn komst in Suriname werd hij benoemd tot secretaris van gouverneur Van de Schepper. In 1741 werd hij lid van de Raad van civiele justitie, en in 1745 wordt hij gekozen als lid van de Raad van politie en criminele justitie. Naast zijn ambtelijke carrière bouwde hij een bestaan op als administrateur van plantages. Hij beheerde onder anderen het plantagebezit van de gebroeders Pater, die behoorden tot de rijkste plantagehouders in Suriname. Door zijn huwelijk met de rijke weduwe Johanna Margaretha van Striep (1706-1769) in 1736 kreeg hij steeds meer financiële belangen in plantages. Zijn vrouw had – samen met haar zoontje Isaac – vier plantages geërfd van haar overleden man, te weten: Penoribo, Siparipabo, la Paix, en De Hoop. Du Plessis stopte na zijn huwelijk als advocaat en werd plantagehouder. Ze kregen samen twee kinderen Maria Susanna du Plessis (1739-1795) en Reijnier Isaac du Plessis (1741-1787).
Het waren Suriname’s gouden jaren voor planters. De vier plantages, evenals zijn eigen plantage, moeten een fortuin hebben opgebracht. Het zoontje van zijn vrouw overleed in 1737. Het echtpaar du Plessis huurde in Paramaribo een riant woonhuis aan de Waterkant no. 10. Het huis bestaat niet meer, het brandde af tijdens de stadsbrand van 1821. Als planter raakte Salomon du Plessis in 1742 betrokken bij het conflict tussen de oude garde planters verenigd in de Cabale, onder aanvoering van Charlotte Elisabeth van der Lith, en de nieuw aangestelde gouverneur Jan Jacob Mauricius (1692-1768) die orde op zaken wilde stellen. In 1747 ging du Plessis namens de Cabale naar Nederland, waar hij een verzoek indiende om de gouverneur uit zijn functie te zetten. De Cabale zou uiteindelijk aan het kortste eind trekken. Du Plessis werd veroordeeld tot betaling van alle kosten en kreeg een verbod om terug te keren naar Suriname. Hij verliet zijn gezin toen zijn dochter Maria Susanna acht jaar en zijn zoon Reijnier zes jaar oud was.

Du Plessis Huis in Paramaribo


Maria Susanna du Plessis (1739-1795)

Maria Susanna du Plessis , de dochter van Salomon du Plessis, ontwikkelde zich volgens de verhalen tot één van de meest wrede plantagehouders in de Surinaamse geschiedenis. In 1754, negen dagen voor haar vijftiende verjaardag, trouwde Susanna met Frans Laurens Grand. In 1755 werd Grand eigenaar van de plantage Grand Plaisir, later omgedoopt tot plantage Nijd en Spijt. Na zijn overlijden in 1762 kwam de plantage in bezit van zijn weduwe, waardoor Susanna op haar drieëntwintigste plantage-eigenaar werd. In 1767 hertrouwde Susanna met de acht jaar jongere Frederik Stolkert, eigenaar van de plantage Hecht en Sterk. Zijn moeder woonde op de hoek van het Plein en de Gravenstraat in een huis dat nu nog in Paramaribo bekendstaat als het du Plessis-huis. Na ruim vijftien jaar huwelijk vroeg ze op 23 mei 1783 scheiding van tafel en bed aan, omdat haar man volgens haar schuldig was aan mishandeling en buitensporig gedrag. Ze had het gevoel dat haar leven in gevaar was. Voor zover bekend bleef dit tweede huwelijk ook kinderloos. Susanna overleed in 1795 en werd begraven op de begraafplaats De Oude Oranjetuin, waar ook haar moeder en haar eerste echtgenoot lagen. De tekst op haar grafsteen had zij zelf opgesteld: ‘Eindelijk ben ik tot rust gekomen’. De grafsteen ligt sinds 1835 ingemetseld in de vloer van de Hervormde kerk in Paramaribo. Susanna du Plessis wordt in de geschiedenis van Suriname als een zwarte bladzijde gezien omdat zij volgens de overleveringen één van de meest wrede slavenhouders moet zijn geweest. Zij heeft telkens weer Surinamers geïnspireerd tot verhalen die van generatie op generatie werden doorgegeven, maar ook leidden tot toneelstukken, gedichten en liederen. Al in 1790, dus nog tijdens haar leven, publiceerde een zekere A. Barrau een artikel in het tijdschrift Bijdragen tot het menselijk geluk waarin hij het verhaal vertelde van een slavenhoudster die eigenhandig het kind van een slavin verdrinkt omdat het niet wil ophouden met huilen. Datzelfde verhaal vertelde later ook John Gabriël Stedman, die van 1773 tot 1777 in Suriname verbleef en daarover in 1799 het boek Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana publiceerde. Hoewel de auteurs Susanna niet bij name noemen, is het vrijwel zeker dat het verhaal over haar gaat. Ook het verhaal van de slavin Alida is wijdverspreid. Susanna zou haar de borsten hebben afgesneden en aan haar man te eten hebben gegeven omdat zij dacht dat hij een verhouding met Alida had. Van alle verhalen over Susanna’s wreedheden is er niet één ooit echt bewezen. Zowel Egmond Codfried als Hilde Neus hebben in hun publicaties aangetoond dat Stedman waarschijnlijk verhalen uit de krant en uit rechtbankverslagen van moordpartijen aan Maria Susanna heeft toegedicht. Mogelijk vonden zij hun oorsprong in een oude vete tussen haar vader en de gouverneur. Er is ook een vermoeden dat Frederik Stolkert erachter zat, als wraak vanwege ruzie met Susanna over het bezit van de plantage. Desondanks blijft Susanna nog steeds tot de verbeelding spreken. Rond 1 juli, de dag van de afschaffing van de slavernij in de voormalige Nederlandse koloniën in 1863, houdt men de Miss Alida verkiezing in Suriname om de waarde van de Afro-Surinaamse vrouw te onderstrepen.

 

 

 

Jan Franken (links) aan het passagieren in Surabaya

 


Jan Ludovicus Franken (1919 – 1942)

Jan werd geboren op 28 april 1919 in Bergen op Zoom als zoon van Johannes Franken senior en Cornelia Elich. Jan speelde viool en ging na zijn schooltijd bij een oom aan het werk als behanger en stoffeerder. Zijn vader stond er echter op dat hij in dienst ging. Op 11 oktober 1937 tekende hij voor zes jaar als marinier bij de Koninklijke Marine en vertrok het jaar daarop met de Sibajak naar Nederlands-Indië. De zeereis viel hem tegen, maar desondanks vond hij het zeer de moeite waard. Eenmaal in de Oost werd Jan gelegerd in de havenstad Surabaya op het eiland Java. Vanuit Indië hield hij zijn ouders en zusje per brief regelmatig op de hoogte van wat hij tijdens zijn dienst meemaakte op zee en aan land.
Op 8 december 1941, een dag na de aanval op Pearl Harbor, verklaarde de Nederlandse regering vanuit Londen Japan de oorlog. De Japanners grepen dit aan om Nederlands-Indië direct binnen te vallen. Vanwege zijn natuurlijke oliebronnen en geostrategische ligging was de verovering van de Nederlandse kolonie voor de Japanners een van de belangrijkste doelen om Oost-Azië te veroveren. Tegen deze achtergrond werd Jan als marinier ingezet bij de verdediging van de kolonie. De Japanners hadden er drie maanden voor nodig om de meest strategische punten in de archipel te veroveren. Het KNIL en de Koninklijke Marine boden verzet, maar hun inspanningen werden ernstig gehinderd door miscommunicatie en besluiteloosheid aan de top. Ook waren zij niet opgewassen tegen de superieure Japanse vuurkracht en hun inzet van vliegtuigen. In de laatste dagen van februari 1942 naderde de Japanse invasiemacht het eiland Java. Een geallieerd eskader van het American-British-Dutch-Australian Command (ABDACOM) voer hen tegemoet in een poging de opmars te stuiten. Een van de schepen van het geallieerde eskader was Hr. Ms. De Ruyter, het vlaggenschip van schout-bij-nacht Karel Doorman. Jan Franken diende als marinier 1e klas aan boord van dit schip. Op 27 februari 1942 raakte de geallieerde vlootmacht in gevecht met een Japans eskader. Later bekend als de Slag in de Javazee. De Ruyter wordt tijdens de zeeslag getorpedeerd door de Japanse kruiser Haguro en ging met 345 bemanningsleden ten onder. Jan was een van de slachtoffers, hij is 22 jaar geworden. Hij heeft een zeemansgraf, maar zijn naam wordt op het Nederlands ereveld Kembang Kuning in Surabaya vermeld op het Karel Doorman-monument voor de slachtoffers van de Slag in de Javazee.

John Gabriël Stedman (1744-1797)


John Gabriël Stedman (1744-1797)

John Gabriël Stedman werd geboren als zoon van Robert Stedman (1701-1770), kapitein van een Schotse compagnie in Staatse dienst, en de Bergse Anthonetta Christina van Keulen (1710-1788). Hij groeide op in Bergen op Zoom en trad later zelf ook toe tot de Schotse Brigade. Stedmans jonge jaren gingen bepaald niet over rozen. Meerdere malen werd hij afgeranseld voor kattenkwaad dat hij, zo lezen we in zijn later geschreven dagboeken, niet had gedaan. Behalve een belhamel was Stedman ook een gevoelige jongen, die bovendien beschikte over een groot tekentalent. Dit talent zou hem later in Suriname goed van pas komen bij het vastleggen van exotische flora en fauna. Stedman weigerde echter zich door Bergse schilders te laten opleiden want hij droomde ervan om à la Rubens en Van Dyck in Antwerpen of Italië te worden opgeleid. Als vaandrig bij de Schotse Brigade trok hij van garnizoensstad naar garnizoensstad. Hij was slechts geïnteresseerd in drie dingen: drinken, vechten en vrouwen. In 1772 meldde Stedman zich als vrijwilliger voor een expeditie naar Suriname om de slavenopstand in deze kolonie neer te slaan. Zoals is te lezen in zijn Narrative of a five years’ expedition against the Revolted Negroes of Surinam (1796) waren de jaren die kapitein Stedman vanaf 1773 in Suriname doorbracht één groot avontuur. Slangen, wilde rivieren en confrontaties met gewapende Marrons, gevluchte slaafgemaakten. Meerdere malen ontsnapte Stedman aan de dood. Tegelijkertijd vond Stedman in Suriname de liefde. Hij verloor zijn hart aan de slavin Joanna (†1782). Samen kregen ze een zoon die Johnny werd genoemd. Beiden bleven achter in Suriname – zij als slaafgemaakte, de jongen als vrij man – toen Stedman in 1777 terug naar Nederland voer. Na zijn terugkeer uit Suriname woonde Stedman in Bergen op Zoom, in logement het Hof van Holland, samen met Quaco, een vrijgekochte jonge slaaf gemaakte die hij vanuit Suriname had meegenomen. Het logement stond in de Zuivelstraat, op korte afstand van het woonhuis van zijn moeder, en dicht bij de paradeplaats waar Stedman tijdens zijn verblijf in Bergen op Zoom vaak vertoefde. Zijn beroemde Narrative schreef hij deels in Suriname en in Engeland. In 1783 werd de Schotse Brigade, als gevolg van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog, ontbonden. Alle officieren, waaronder ook de beide broers Stedeman – beiden inmiddels benoemd tot luitenant-kolonel – werden voor de keuze gesteld: opgaan in de Nationale Militie of terugkeren naar Engeland. John koos voor de tweede optie. In Engeland trouwde hij met de Nederlandse Adriana Wierts, door Stedman zelf Adriana Wierts van Coehorn genoemd, en vestigde hij zich met haar in Tiverton in het graafschap Devon. In hetzelfde jaar dat Stedman naar Engeland verhuisde, stierf Joanna, vermoedelijk door vergiftiging, in Suriname. Haar zoon Johnny reisde daarop naar zijn vader in Tiverton, waar hij in het gezin werd opgenomen. Overigens tot onvrede van Stedmans tweede vrouw Adriana; Stedman was echter zeer gesteld op zijn zoon. Toen deze als zeeman in 1791 bij een schipbreuk nabij Jamaica omkwam, schreef Stedman de volgende dichtregels: “Fly gentle shade, fly to that blest abode. There view thy mother – and adore thy God.” In Engeland werkte Stedman naarstig aan de voltooiing van Narrative. Uiteindelijk zou hij na een hoop geruzie met zijn redacteur zijn magnus opus in 1796 publiceren, achttien jaar na zijn vertrek uit Suriname. Hij stierf in Devonshire, 53 jaar oud.

Quaco stripboek


Quaco (1762- ?)

Quaco werd rond 1770, toen hij ongeveer acht jaar oud was, ergens in het westen van Afrika ontvoerd. Eerst kwam hij in Afrika in slavernij terecht, vervolgens in Suriname. Hij werd de futuboi, de persoonlijke lijfknecht, van kapitein John Gabriël Stedman, die ten strijde trok tegen de Boni-Marrons (gevluchte tot slaafgemaakten) onder leiding van de vrijheidsstrijder Boni, die vanuit het oerwoud vochten voor vrijheid en zelfbeschikking. Quaco moest mee op patrouilles. Na vier jaar vertrok Stedman naar Nederland en nam hij Quaco mee. Over Quaco weten we iets door het boek Narrative dat Stedman schreef over zijn verblijf in Suriname. Dat boek werd wereldberoemd, vooral vanwege de afbeeldingen waarop tot slaafgemaakten worden gemarteld. Ineke Mok vond in de originele dagboeken van Stedman meer informatie over Quaco. We weten nu dat Quaco in 1778 met Stedman in Bergen op Zoom verbleef. Quaco kreeg daar op 10 juli 1778 zijn vrijheid terug. Volgens Stedmans aantekeningen verbleven toen meer tot slaafgemaakten in deze stad. Op 27 augustus 1778 staat tussen Stedmans notities van die dag: “A slave, wanting to desert, in a jump down the wall, broke a limb”. Of de man die deserteerde ook letterlijk gevangen zat, of alleen wilde ontsnappen uit de dienst in het Staatse leger, is niet duidelijk. Ook vermeldde Stedman dat hij geen gebruik wil maken van de diensten van een zwarte vrouw met kind. Op het kasteel in Asten is Quaco van 1790 tot 1792 de bediende van baron Assueer Jan Torck, heer van Rosendael (Gelderland) (zie ook de koloniale wandeling Wageningen), die ook in Den Haag woonde. Eerder verbleef Quaco op diens kasteel in Rosendael, waar hij in 1785 in de kerk van het kasteel werd gedoopt. Sindsdien heet hij Willem Stedman. Eind 1791 of begin 1792 monsterde Quaco/Willem Stedman aan als matroos op het VOC-schip D’IJsselmonde met bestemming Batavia. Sindsdien is niets meer van hem vernomen.

 

Pieter Gerardus van Overstraten (1755-1801)

 


Pieter Gerardus van Overstraten (1755-1801)

Pieter Gerardus van Overstraten werd op 19 februari 1755 in Bergen op Zoom geboren en werd gedoopt in de St. Gertrudis kerk die toen in het bezit was van de Hervormden. Hij was het derde kind van Johannes Hendrik van Overstraten en Catharina Wilhelmina Aelmans. Zijn vader was notaris, procureur en enige tijd ook burgemeester van Bergen op Zoom. Ook zijn moeder kwam uit een vooraanstaande familie; haar vader was eveneens notaris. Pieter Gerardus van Overstraten studeerde rechten aan de universiteit van Leiden en sloot die studie al op 21 jarige leeftijd af met de dissertatie. Na zijn afstuderen was hij een paar jaar advocaat in ’s-Hertogenbosch, maar al spoedig vertrok hij naar Oost-Indië. Op 17 augustus 1780 nam hij afscheid van zijn familie, naar later zou blijken voorgoed. Zijn zus Adriana wenste hem in een gedicht vooral toe dat hij niet zou toegeven aan de verleiding tot lichtzinnigheid en niet zou ingaan op vleierijen. Op 19 april 1781 kwam Pieter van Overstraten in Batavia aan.Daar begon hij aan een flitsende carrière. Hij was achtereenvolgens buitengewoon en gewoon lid van de Raad van Justitie, advocaat-fiscaal van de regering van de kolonie en secretaris van die regering. Vanaf 1789 kwam daar zijn lidmaatschap van de Raad van Indië bij, het bestuurscollege in de kolonie dat de Gouverneur-Generaal adviseerde. Op 31 augustus 1791 werd Van Overstraten aangesteld als ‘Gouverneur en Directeur van Java’s Noord-Oostkust’. Dit was de hoogste functie in dit voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) economisch belangrijke gebied. Volgens alle getuigenissen heeft hij die zware taak voortreffelijk vervuld. Het was een gebied met veel problemen, zowel in politiek, economisch en militair opzicht. Van Overstraten bemiddelde met succes in opvolgingskwesties bij Javaanse regentenfamilies, wat veel tact en subtiele omgangsvormen vergde. Hij bestreed corruptie en verbeterde het lot van de gewone Javaan door maatregelen dat deze “niet langer blootgesteld zou wezen aan onderdrukking van zijne hoofden, en zeker zou zijn van zijne bezittingen.”
In verschillende opzichten was Pieter Gerardus van Overstraten een vroege Max Havelaar. Hij had ook oog voor de volksgezondheid. Zo bevorderde hij migratie van de ongezonde kust bij Semarang naar minder bevolkte, maar gezonde gebieden.Toen Gouverneur-generaal Alting in 1796 zijn ontslag indiende, werd Van Overstraten door zijn collega’s in de Raad van Indië onmiddellijk gezien als de meest geschikte opvolger. De opvolging was in die tijd een zaak van de VOC (1602-1800), een door de Republiek verleent monopolie, om oorlogen te voeren, verdragen te sluiten, handelsposten te bouwen en bestuurders te benoemen. De machtsuitoefening was echter voor een deel verworden tot zelfverrijking en corruptie. Dat gold ook voor het ambt van Gouverneur-generaal. Verschillende voorgangers van Van Overstraten hadden zich onbeschaamd bevoordeeld en een staat gevoerd die onvoorstelbaar verspillend was. Gouverneur-generaal Van Riemsdijk bezat bijvoorbeeld een glazen rijtuig en 200 slaafgemaakten. Zijn zoon had op zevenjarige leeftijd een overheidsbaan en verdiende toen hij zestien was een half miljoen gulden per jaar. In dit corrupte klimaat werd Pieter van Overstraten Gouverneur-generaal. Op 17 februari 1797 aanvaardde hij de functie. Hij bleef, zoals hij ook op andere posten gedaan had, opkomen voor de inheemse bevolking. Zo verbood hij Europese ambtenaren om geschenken aan te nemen voor bewezen diensten. Van Overstraten had overigens wel oog voor de belangen van de ambtenaren. Het verblijf in de benedenstad van Batavia was zeer ongezond en daarom begon hij met de verplaatsing van de ambtswoningen naar hoger gelegen buitenwijken. Op verschillende manieren kreeg hij te maken met de politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen in het verre Europa, Nederland en de bestuurders van de VOC. Bij het aannemen van de eerste grondwet, in 1795, werd de bestuursbevoegdheid aan de Heren Zeventien ontnomen. De bezittingen en schulden van de VOC gingen op 31 december 1799 over aan de Nederlandse staat. Van Overstraten werd dus de eerste Gouverneur-generaal in staatsdienst. Het ging op dat moment overigens meer om schulden dan om bezittingen.Ook kreeg Pieter van Overstraten door de oorlog tussen Engeland en de Bataafse Republiek (in die tijd een vazalstaat van Frankrijk) te maken met een blokkade van het vasteland in Europa door Engeland, waardoor geen verbinding mogelijk was met het moederland. Een aanval van Engelse schepen op Batavia in de maanden augustus tot november 1800 kon worden afgeslagen. Maar op 21 juni van het volgende jaar nam de Engelse vloot Ternate in, een belangrijk eiland voor de specerijencultuur. Van Overstraten leed daar sterk onder en had ook weinig contact met zijn familie in Bergen op Zoom. Vanaf 1795 kwam geen enkel schip uit de Republiek meer aan. Op een van zijn reizen door Oost-Java had Van Overstraten een gezwel aan zijn voet opgelopen en een ontsteking. Dat was in 1796. Het leek dat hij hiervan genezen was, maar eind 1800 werd hij als gevolg van die aandoening alsnog ernstig ziek. In de loop van 1801 werd het steeds erger. Hij kon zijn werk nauwelijks nog doen en op 22 augustus overleed hij. Tragisch is dat het bericht van zijn overlijden pas in april 1802 zijn familie in Bergen op Zoom bereikte. Hij stond bekend als toegankelijk voor ‘hoog en laag’, prettig in de omgang, edelmoedig, hulpvaardig en als een zeer bekwaam bestuurder.

 

Zegel van Jan Menkenveld 1712-1784

 


Jan Menkenveld 1712-1784

Jan Menkenveld is oorspronkelijk afkomstig uit Glückstadt, een havenstad gelegen aan de rivier Elbe, benedenstrooms van Hamburg. Hij was vierendertig jaar oud toen hij aanmonsterde bij de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) (1720-1889). Een handelsonderneming bekend om haar trans-Atlantische driehoekshandel en slavenhandel. Op 21 april 1747 komt hij al voor op een monsterrol onder de naam Jan Mink als onderstuurman van het fregatschip Africase Galeij, dat door de Admiraliteit van Zeeland was verhuurd aan de MCC. Na afloop van dit dienstverband maakte hij als opperstuurman in dienst van de MCC met de Africase Galeij zijn eerste reis naar de kust van Guinee. Jan Menkenveld nam in de periode 1747 tot 1766, toen hij diende bij de MCC als kapitein, deel aan zeven slavenreizen. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat er in totaal tussen de elf -en twaalfenhalf miljoen tot slaafgemaakte Afrikanen naar de plantages in de Amerika’s zijn gebracht. Hiervan werden circa 600.000 door Nederlanders verhandeld. De MCC verhandelde er ongeveer 31.000, waarvan de schepen onder commando van Jan Menkenveld er zeker 2041 voor hun rekening hebben genomen. Als kapitein maakte hij in totaal zeven driehoeksreizen naar de westkust van Afrika en het Caraïbisch gebied om tot slaafgemaakten te verhandelen. Na zijn eerste reis als kapitein vestigde Jan Menkenveld zich in Middelburg, waar hij zich liet inschrijven als lid van de Lutherse gemeente. Hij was getrouwd met Cornelia de Molder, afkomstig uit een Middelburgse familie van zeevarenden, met wie hij een dochter had. Bij thuiskomst van de reis in 1766 werd hij door de MCC beschuldigd van contractbreuk, het achterhouden van gelden van de verkoop van tot slaafgemaakten, tabak en olifantstanden, eigen handel en slecht gedrag zowel aan boord als aan land. Na afmonstering in Middelburg op 12 maart 1766 was de loopbaan van Jan Menkenveld als kapitein en slavenhandelaar vroegtijdig ten einde. Hij werd ontslagen bij de MCC. Na verloop van tijd vestigde hij zich als herbergier in Bergen op Zoom. De slavenhandel had hem geen windeieren gelegd, want op de Grote Markt nr. 2 kocht hij voor 5.500 guldens (€ 127.000 nu) het logement en koffiehuis het Molentje met het naastgelegen pand de Vogelensang (op nr. 3). Met de verkoper kwam hij overeen dat het biljart met de keuen, blakers en verdere toebehoren bij de koop was inbegrepen. In december 1775 verkocht Jan Menkenveld zijn koffiehuis en verhuisde hij naar het kleinere pand Cuypers Barsie aan de Rijkebuurtstraat in Bergen op Zoom. Op 14 april 1784 overleed hij eenenzeventig jaar oud aan een borstziekte. Hij werd begraven in de Gertrudiskerk. Volgens zijn testament had hij betaald voor twee uur klokgelui.

 

Hubertina Maria (Bertha) Hertogh (1937- 2009)

 


Hubertina Maria (Bertha) Hertogh (1937- 2009)

Bertha Hertogh ook bekend als Nadra binte Ma’arof , geboren in Tjimahi op Java in voormalig Nederlands-Indië was het derde van zeven kinderen van een Nederlandse sergeant in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger en een Schots-Javaanse moeder. Haar moeder werd op jonge leeftijd door een islamitische familie geadopteerd, trouwde op haar vijftiende en bekeerde zich toen tot het katholicisme. Bertha werd katholiek gedoopt. Tot de Japanse inval woonde het gezin Hertogh in de kazerne in Tjimahi bij de stad Bandung. Tijdens de Japanse bezetting (1942-1945) van Nederlands-Indië werd de vader van Bertha geïnterneerd en als dwangarbeider tewerkgesteld aan de Birma spoorweg. Bertha’s moeder had tijdens de bezetting moeite haar hoofd boven water te houden met haar grote gezin. Zij stuurde Bertha daarom voor korte tijd naar Aminah binte Mohammad (1901-1976), een kinderloze vriendin van haar. Toen ze Bertha op 6 januari 1943 weer wilde ophalen, werd ze gearresteerd en met vijf van haar kinderen geïnterneerd – ze was immers geen Indonesische. De vijfjarige Bertha bleek op dat moment onvindbaar en werd niet geïnterneerd. Ze was veilig bij Aminah binte Mohammed, die haar beschouwde als haar eigen dochter. Na de oorlog bleef Bertha voor haar ouders onvindbaar. Aminah binte Mohammed voedde Bertha islamitisch op en gaf haar de naam Nadra binte Ma’arof. In 1947 verhuisde Bertha naar Kemaman in Noord-Maleisië, de geboorteplaats van haar stiefmoeder. Bertha bezocht er de Chukai Malay meisjesschool en kreeg Koran-lessen. Afgezien van haar uiterlijk onderscheidde zij zich in niets van een Maleis meisje. Intussen was het gezin Hertogh in juli 1946 naar Bergen op Zoom gerepatrieerd en vanuit deze stad zetten de ouders hun zoektocht naar Bertha voort. In september 1949 werd ze in Maleisië gesignaleerd en het Nederlandse consulaat in Singapore vroeg Aminah binte Mohammed het kind bij hen te brengen. Aminah binte Mohammed was in de veronderstelling dat de adoptie nu kon worden geformaliseerd, maar Bertha’s ouders eisten hun kind op en boden Aminah binte Mohammed vijfhonderd dollar voor de kosten van haar opvoeding. Zo begon in april 1950 het juridische gevecht rond het ouderlijk gezag over de inmiddels veertienjarige Bertha. Dat trok de aandacht van de media. Volgens de publieke opinie in Nederland was de zaak helder: er was sprake van kinderroof, waarbij katholieke media benadrukten dat deze door ‘mohammedanen’ was gepleegd. Aminah binte Mohammed werd bestempeld als ‘collaborateur’ – ze had in de oorlog voor de Japanners getolkt – en een simpele ‘baboe’. De verontwaardiging was dan ook groot toen de Britse rechters – Singapore was toen nog een Britse kolonie – Bertha Hertogh toewezen aan Aminah binte Mohammed vanwege een procedurefout van het Nederlandse consulaat-generaal. Het consulaat ging in hoger beroep, maar in augustus 1950 werd Bertha door haar op dat moment wettige verzorgers uitgehuwelijkt aan de 22-jarige Abdulkadir Mansur Adabi. Moeder Hertogh vloog daarop op kosten van het Nederlandse Bertha Hertog Comité naar Singapore, maar daar bleek dat Bertha niets van haar biologische moeder wilde weten. De publiciteit rond de rechtszaak en het huwelijk gaven de affaire een religieus-politiek karakter. In Pakistan, Indonesië en Saoedi-Arabië zegden fundamentalistische organisaties morele en financiële steun toe. In Singapore zelf steunde de Malay Nationalist Party (MNP) Aminah binte Mohammed. Moeder Hertogh ontving anonieme dreigbrieven. Op 2 december 1950 stelde de Britse rechter Bertha’s biologische ouders in het gelijk: het huwelijk was wegens de Nederlandse nationaliteit van de nog altijd minderjarige Bertha ongeldig en zij kregen uiteindelijk de voogdij. In Nederland werd het oordeel met gejuich ontvangen: het was het enige verstandige besluit, zo oordeelde de pers nagenoeg unaniem. Bertha en haar moeder werden tijdens de onrust ondergebracht in een klooster in de nabijheid van Singapore. Islamitische kranten berichtten dat een islamitisch meisje werd gegijzeld in een katholiek klooster; katholieke kranten meldden dat een christenmeisje was gered uit moslimhanden. Toen het hoger beroep van Aminah binte Mohammed op 11 december 1950 werd afgewezen, braken er in Singapore ernstige onlusten uit: 18 doden, ruim 170 gewonden en meer dan 500 arrestanten. Een dag later maakte een KLM-vliegtuig een tussenlanding in Singapore om Bertha en haar moeder mee naar Nederland te nemen. Op Schiphol en in Bergen op Zoom waren duizenden belangstellenden op de been om Bertha welkom te heten. Het Polygoonjournaal vertoonde de beelden van een door emoties overmande vader en een overdonderde Bertha. De eerste jaren waren zwaar voor haar, alleen al omdat zij de Nederlandse taal niet machtig was, maar ook moest wennen aan haar ouders. Na een paar jaar lijkt haar leven in rustiger vaarwater te komen. Zij bekeerde zich tot het katholieke geloof, trouwde op haar 21ste en kreeg tien kinderen. In Bergen op Zoom runde zij samen met haar eerste man een café -pension het Pumpke aan de Steenbergsestraat 3. In 1976 stond zij – samen met twee anderen – terecht op verdenking van een complot om haar echtgenoot te vermoorden. Wegens gebrek aan bewijs werd zij vrijgesproken. Na haar scheiding trouwde ze nog twee maal, maar beide huwelijken waren ongelukkig. In 2009 overleed ze op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van leukemie. In Maleisië en Singapore is Bertha Hertogh een icoon van de strijd tegen het westerse imperialisme. Er werden theaterstukken over haar leven gemaakt en in 2014 maakte de zender Channel NewsAsia een documentaire over de gebeurtenissen in 1950 die in Singapore Days of Rage worden genoemd.

 

Bronnen

https://www.brabantserfgoed.nl/personen/o/overstraten-pieter-gerardus-van
Biografie – Gepubliceerd op 14 sep 2017
Auteur: J.J.M. Baartmans
https://nl.wikipedia.org/wiki/Susanna_du_Plessis
Hilde Neus-van der Putten, Susanna du Plessis. Portret van een slavenmeesteres (Amsterdam/Paramaribo, 2003) (ISBN: 9068325213)
Egmond Codfried, Maria Susanna du Plessis (1739-1795): dader of slachtoffer? (Den Haag, 2003) (ISBN: 9080806714)
Roelof van Gelder, Dichter in de jungle. John Gabriel Stedman 1744-1797 (2018)
Ineke Mok, Het leven van Quaco
John Gabriel Stedman, Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam (1796).
https://www.surinameplantages.com/archief/b/bergenopzoomc/
https://nl.wikisage.org/wiki/Susanna_du_Plessis
John Gabriel Stredman, Narrative of a five years’ expedition against the Revolted Negroes of Surinam (1796)
John Gabriel Stedman, Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana 1799
OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 21 (2002)
https://www.dbnl.org/tekst/_oso001200201_01/_oso001200201_01_0025.php
https://www.brabantserfgoed.nl/page/12227/jan-menkenveld
Marilou Nillesen Bhic , Het geheugen van Brabant
https://www.bhic.nl › ontdekken › verhalen › 18-doden-…
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bertha_Hertogh
https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/hertogh